*

 
dossier

Archief

Acht vader, niet meer

Hans Goslinga − 22/01/00, 00:00

In een vermaarde Haagse nachtsociëteit heeft jarenlang de prent van Hahn aan de wand gehangen, die toont hoe een werkman op de stoep van het café door zijn dochtertje wordt weerhouden naar binnen te gaan. 'Ach vader, niet meer', smeekt het kind. Een grapjurk veranderde dat ooit in 'Acht vader, niet meer', waardoor de sociëteit, die politici van naam en faam tot haar leden rekende, onbedoeld en vanwege het altijd late uur vermoedelijk ook vergeefs, een van de grondregels van de Amerikaanse constitutie uitdroeg, de regel die de president hooguit twee ambtstermijnen van vier jaar toestaat. Hoe bekwaam, integer en wijs ook, langer dan acht jaar mag hij het hoge ambt niet bekleden. Het is een regel die getuigt van diep inzicht in de condities waaronder een democratie kan floreren. Het is goed daar even bij stil te staan, nu premier Kok heeft laten doorschemeren dat hij voor een derde ambtstermijn beschikbaar is.

Het is beter dat hij daarvan afziet. De affaire rondom Kohl en zijn CDU laat in extremis zien wat er kan gebeuren als politici te lang achtereen aan de macht zijn. In eigen land houden we iets dergelijks voor onbestaanbaar, maar laten we niet te vroeg juichen. Ook hier is de afgelopen kwart eeuw een politieke cultuur ontstaan, die ernstige gevolgen heeft voor het functioneren van de democratie. De Amerikaanse founding fathers rekenden in hun constitutie af met de absolute vorst uit de oude wereld. Zij ontwierpen een democratisch stelsel, waarin machten werden gescheiden en door een systeem van checks and balances zoveel mogelijk in evenwicht konden worden gehouden.

In onze oude democratieën hebben we de afgelopen decennia juist nieuwe Zonnekoningen gecreëerd, Kohl in Duitsland, Thatcher in Groot-Brittannië, Lubbers en Kok in Nederland. Er ontstond een cultuur die zich sterk richtte op de eerste man en op het behoud van de macht. Bij de christen-democraten was de macht na twaalf jaar premierschap van Lubbers zo vanzelfsprekend geworden, dat Brinkman dacht dat hij die kon overnemen zoals een zoon het bedrijf van zijn vader.

Dat ademocratische proces heeft zich sluipenderwijs voltrokken. De rechtvaardiging om de uitvoerende macht ruim baan te geven lag in de noodzaak de overheidsfinanciën te saneren. Daar was een harde hand voor nodig en een houding van no nonsense. Democratische geesten die in deze periode hun stem verhieven, zoals CDA-senator Kaland, werden beschouwd als dwarsliggers. Toch zag Kaland scherp hoe de tegenmacht werd verwaarloosd en door de disciplinerende werking van regeerakkoorden werd uitgehold. Hij maakte zijn geestverwanten in de Tweede Kamer zelfs uit voor 'stemvee', maar destijds viel dit zaad op rotsige bodem. De Nacht van Wiegel heeft aangetoond dat het proces nog niet tot een ommekeer is gekomen. Wiegels partij, de ooit dualistische VVD, strafte hem weliswaar niet met pek en veren, maar deed alsof het incident nooit had plaatsgevonden en maakt zich nu met het kabinet op de senaat in het gelid van de uitvoerende macht te zetten.

Steeds pijnlijker is zichtbaar hoe zwak de positie van de tegenmacht is geworden. Ministers komen allang niet meer met knikkende knieën naar het parlement, laat staan dat ze zich, zoals in de jaren zestig eens is gebeurd, tijdens een kamerdebat opsluiten in een toilet, ze lachen de Kamer uit. Gerrit Zalm, onze minister van financiën, is het meest uitgesproken voorbeeld van de ministeriële minachting voor het parlement. Toen hij een paar jaar geleden tegen de Kamer brulde, dat hij een motie niet zou uitvoeren, barstten de leden in daverend gelach uit. Het vroegere CDA-kamerlid Vincent van der Burg verklaarde dat hij zich dood had geschaamd, maar dat was achteraf. Hijzelf noch enig ander kamerlid voelde zich geroepen de minister terstond terecht te wijzen. In de tijd van parlementaire leeuwen als Joekes, Bakker en Aantjes, was de minister scherp op zijn vingers getikt.

In een kwart eeuw is de Kamer veel van haar zeden, gewoonten en kennis kwijtgeraakt en daarmee veel van haar aanzien en gezag. Al sinds jaar en dag wordt de GPV'er Gert Schutte beschouwd als het geweten van het parlement. Slechts één kamerlid, een treurig bewijs van de armoe. Partijen hebben als tegenmacht bijna geheel afgedaan, de Kamer volgt die weg in hoog tempo, fracties van de coalitie richten zich naar de macht als hovelingen naar de koning, kamerleden van de oppositie gedragen zich, buiten de macht staande, verbeten en verkrampt. Niemand, voor of achter de regeringstafel, beleeft nog plezier aan het parlementaire debat, waardoor het zonder passie wordt gevoerd. Geen wonder dat het zo'n dooie boel is geworden in politiek Den Haag. Het is dus maar beter dat Kok niet aan een derde termijn als premier begint en alle partijen zich concentreren op de verslonsde tegenmacht in plaats van op de macht.

mailIcon print |