*

 
dossier

Archief

Gerrit Komrij: Janus, Hofnar, Doctor

Rob Schouten − 08/02/00, 00:00

Dichter en schrijver Gerrit Komrij schuwt het academische en wetenschappelijke. Maar toch krijgt hij vandaag een eredoctoraat aan de Universiteit van Leiden. Opnieuw valt hij in de prijzen.

Ongetwijfeld in stijl, met stalen gezicht en sonoor stemgeluid, zal Gerrit Komrij het eredoctoraat, dat hem vandaag door de Leidse Universiteit wordt verleend, aanvaarden. Maar het kan haast niet missen of van binnen moet hij behalve geflatteerd ook vooral verbaasd zijn; een daverende lach of een vrolijke buiteling zou niet helemaal misplaatst zijn.

Want Komrij wordt de laatste jaren bedolven onder een even opmerkelijke als onverwachte vracht erebaantjes en - linten: winnaar van de P.C. Hooftprijs voor essayistiek een paar jaar geleden, benoeming tot Dichter des Vaderlands een paar weken geleden en dan nu die academische eretitel. Verdiend of niet, hij zal ze allicht niet allemaal voorzien hebben.

Misschien begon het met de steile opwaardering van Komrij's werk wel een jaar of twintig geleden. In 1983 schreef gezaghebbend literatuurcriticus Kees Fens in zijn inaugurele rede 'Broeinesten en bijbelplaatsen' over de poëzie van Gerrit Komrij, dat de algemene reactie van 'studentenpoëzie' bijgesteld moest worden en dat hij bij nader inzien als een bijzonder dichter van ongebruikelijke kunstpoëzie moest worden beschouwd. Het woord 'verkleedpartij' viel daarbij en dat kan ook nu weer vallen.

De P.C. Hooftprijs voor essayistiek voor iemand die volgens eigen opvattingen nooit essays schreef, de benoeming tot Dichter des vaderlands voor iemand die om concepten als 'vaderland' slechts zal moeten lachen, en een eredoctoraat voor iemand die het academische en wetenschappelijke altijd geschuwd heeft als de pest, het wijst allemaal op een merkwaardige loop der dingen, die op een bepaalde manier toch weer uitstekend past in Komrij's eigen literaire opvattingen. Want het leven als ernstig spel, het verhullen van de waarheid die toch niet gekend kan worden, is een essentieel trekje van Gerrit Komrij's bezigheden.

Een paar titels uit zijn inmiddels zeer omvangrijke oeuvre karakteriseren zijn houding uitmuntend. Bijvoorbeeld 'Alles onecht', 'Averechts' en 'De gelukkige schizo', die op het verraderlijke, dwarse en gespleten karakter van zijn ideeën wijzen. Maar voor goede verstaanders was de titel van de dichtbundel waarmee hij in 1968 debuteerde, 'Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten' al een aanwijzing: Je moet met immens geweld aan zijn werk trekken om het open te krijgen en als je dat, tegen de bedoeling in, lukt, is het leeg. De vogel is gevlogen.

'Het is alsof je kijkt in een leeg graf', zo eindigt het veel latere gedicht 'Maskers'. Want ook dat is een feit, Komrij mag voor het gevoel wat ernstiger zijn geworden, zijn werk en zijn opvattingen zijn nauwelijks veranderd. Geen wonder trouwens bij iemand die bij voorkeur Januskoppen en 'maskers' draagt.

Komrij krijgt zijn eredoctoraat vanwege zijn verdiensten voor de literaire geschiedenis. Daar is, op een voor de hier gelauwerde dichter typerende manier, van alles en ook niets voor te zeggen. Zijn befaamde bloemlezing 'De Nederlandse poëzie in 1000 en enige verzen' is ongetwijfeld al jarenlang de maatgevende bloemlezing van onze tijd. Met de twee delen over poëzie uit de twaalfde tot en met de achttiende eeuw, bracht hij de Nederlandse lezer bovendien op een unieke wijze zin voor de historische letterkunde bij.

Komrij's soortgelijke project aangaande de Zuid-Afrikaanse dichtkunst maakt het plaatje alleen maar completer: hij heeft als het ware de hele Nederlandse en 'stamverwante' dichtkunst gecartografeerd. Als uitlegger van poëzie laat hij zich de laatste jaren in de NRC bovendien van zijn ernstige kant kennen. Het zijn stukken, waarin hij voor een breed publiek de geheimen van de poëzie weet te ontrafelen zonder in esoterisch-hermetische of wetenschappelijke valkuilen te lopen.

Het heeft er kortom alles van weg dat Gerrit Komrij een moeizaam verkoopbaar genre als geen ander aan de man brengt. Maar tegelijkertijd zijn zijn standpunten vaak zo elitair als wat. Zo druist zijn hele poëtica in tegen gemiddelde ideeën over de dichtkunst. Ze behartigt geen gevoeligheden en sentimentaliteiten, geen vage emoties of onduidelijke gewaarwordingen, zaken die heel wat lezers juist met 'poëzie' in verband brengen.

In het voorwoord van de zoveelste druk van de '1001'-anthologie staat het nog altijd ondubbelzinnig maar ook met de van Komrij bekende vileine ironie: 'Deze bloemlezing is niet bedoeld om gevoelige harten en dromerige zielen tot zelfwerkzaamheid te inspireren. Er bestaat geen belachelijker streven dan de moderne kippendrift van hervormers, onderwijzers en regeerders om de creativiteit 'onder de mensen te brengen', alsof het om cholera of hoofdluis gaat.'

De eerste reacties op die bloemlezing waren dan ook niet onverdeeld gunstig. Sommige auteurs, zoals Campert en Lucebert, weigerden erin opgenomen te worden omdat ze Komrij's keuze allerminst vleiend en representatief vonden en spanden een vergeefs proces tegen de bloemlezer aan, en J. Bernlef bijvoorbeeld oordeelde dat opzettelijk de hele traditie van het modernisme en het experiment buiten de deur waren gehouden. Komrij was op dat moment vooral ook een dwarse keuzeheer en in dat opzicht is zijn succes van de afgelopen jaren opmerkelijk.

Ergens heb je het gevoel dat al die recente maatschappelijke lofprijzingen, P.C. Hooftprijs, Dichterschap des Vaderlands, Eredoctoraat, ook een beetje dienstdoen als poging om Gerrit Komrij te domesticeren, de angel uit zijn satirische geest te halen, hem in te lijven. Dat zou overigens een grove onderschatting van 's mans Houdini-achtige capaciteiten zijn. Want hij is een briljant ontsnappingskunstenaar: grillig, onberekenbaar, niet voor een of twee gaten te vangen. Maatschappelijke deugden als standvastigheid, consequentie, karakter, zijn aan vrije geesten als Komrij niet besteed.

In zijn opvattingen geeft hij lucht aan de onbetrapbare veelvormigheid van de menselijk aard, het onontwarbare labyrint van motieven en bedoelingen. En hij doet dat juist op een heldere, klassieke manier. Als Dichter des vaderlands zal hij wel in de eerste plaats een kritische hofnar blijken en ook van een eredoctoraat zal zijn briljante mombakkes niet van kleur verschieten.

Hoe ernstig en rigide de medailles er ook uitzien die hem de laatste tijd worden opgespeld, wezenlijker en waarachtiger dan hij al is zal Komrij er niet van worden en ook zal het raadsel van zijn werk niet opgelost worden, of zoals het in zijn toneelstuk 'Het chemisch huwelijk' staat: 'Je zoekt. Je zoekt vergeefs. Er is geen raadsel. Raadselachtig maakt slechts hij iets die van schijn het wezen zoekt.'

mailIcon print |