*

 
dossier

Archief

Eten betekent: ik hou van je

Stijntje Blankendaal − 05/02/00, 00:00

Tijdens een concert van de Surinaamse jazzband Fra Fra Sound verbaasde fotograaf Petterik Wiggers zich over de overeenkomsten tussen die jazz en de West-Afrikaanse muziek. Het was 1992 en bandleider Vincent Henar hield een roemruchte rede waarin hij memoreerde dat vijfhonderd jaar geleden Columbus Amerika ontdekte: de aanloop naar de transatlantische slavenhandel. Henar reageerde trots op Wiggers' waarneming: ,,Het líjken geen Afrikaanse ritmes, ze zijn het!''

Wiggers - fotojournalist van het jaar 1996 en al sinds 1983 regelmatig werkzaam in Afrika - raakte geïntrigeerd door de culturele overeenkomsten tussen West-Afrikaanse Ghanezen en Afrikaanse Surinamers in Suriname en de Bijlmer. Met een subsidie van het Fonds Anna Cornelis kon hij drie keer naar Ghana en Suriname en volgde zo het spoor van de West-Afrikanen die vanaf de vroege zeventiende eeuw als slaven naar Suriname werden verscheept. Hij fotografeerde zeven thema's in Ghana, Suriname en de Bijlmer: muziek, dans, familierelaties, begrafenissen, voorouderverering, haarvlechten en houtsnijwerk.

Een deel van de Surinaamse gemeenschap bleek eveneens zoekende te zijn naar de eigen wortels en pelgrimages naar West-Afrika te organiseren. Eén van de kopstukken uit die gemeenschap is Marlene Ceder. We spreken af haar in het centrum van Amsterdam te ontmoeten voor een vraaggesprek. Een uur na de afgesproken tijd draait Marlene Ceder de hoek van het Spui om en krijgt Wiggers haar in de smiezen: ,,Dáár loopt ze!'' De Surinaamse verschijnt in volle omvang, een rode shawl in het zwarte haar en een rieten mand aan de arm. Ze omarmen elkaar als oude bekenden. ,,De eerste keer dat we elkaar ontmoetten hebben we samen gegeten.'' Dat was in 1997, vlak voor Marlene Ceders vertrek naar Ghana - West-Afrika - voor de viering van het Panafestival, het 'Pan Afrikaanse festival' in Cape Coast, bij het oude slavenfort Elmina. Dezelfde avond besloot Ceder dat Wiggers mee mocht op pelgrimage naar het land van haar voorouders.

Eten blijkt onder Surinamers en Afrikaners een eerste voorwaarde te zijn voor menselijk contact. Ceder maakt zich zorgen over honger in de Bijlmer door het isolement waarin sommige bewoners terecht zijn gekomen. Zelf verstrekt ze iedere vrijdagavond gratis warme maaltijden aan verslaafden. Ceder: ,,Nergens in Zuidoost is een plek waar je brood kunt halen als je honger hebt. De politiek vindt het vanzelfsprekend dat kerk en staat gescheiden zijn, maar ondertussen wordt een islamiet gedwongen om bij het Leger des Heils een kop soep te vragen.''

,,In Afrika - buiten de oorlogsgebieden - of in Suriname lijd je geen honger, hoe groot de armoede ook is. Eten betekent: ik hou van je, je hoort bij ons. Op de luchthaven in Nigeria maakte ik het mee dat, terwijl wij in onze dure kleren zaten te wachten, de schoonmakers ons nog wisten te voeden. Je komt van ver en je bent gast. Die gemeenschapszin is diep geworteld. Maar ook in de Bijlmer kom je een alternatieve vorm van communicatie tegen, los van officiële regels en beleid. Ghanezen en Nigerianen zijn bijvoorbeeld heel goed met auto's, weten hier en daar wat onderdelen op de kop te tikken en een leuk prijsje voor je te maken. Het is een systeem van wederdiensten.''

Ceder is telg van een plantagefamilie in het binnenland van Suriname, in Para. In 1979 kwam ze samen met haar toenmalige echtgenoot van Suriname naar Nederland. Ze was dertig en had twee kinderen. Hoewel ze al verscheidene opleidingen had afgerond, wilde Ceder een studie op HBO-niveau volgen, iets wat in Suriname onmogelijk was. Ze kwam terecht op de sociale akademie in Driebergen, de HOS, waar twintig nationaliteiten rondliepen en grote weerzin tegen maatschappelijke regels bestond. ,,De hele klas kwam in opstand als jij je huis uit moest.''

,,Ik heb daar van de Afrikanen geleerd dat je niet naar beleid moet kijken, maar naar wat de gemeenschap nodig heeft. Het eten in de kantine was helemaal niets, vooroorlogs en met varkensvlees. Omdat er niet naar onze klachten geluisterd werd en wij geen plekje in de keuken kregen, ben ik iedere vrijdag zelf een potje gaan koken, middenin de gang.''

Op latere leeftijd leerde Marlene Ceder haar kennis van winti gebruiken: de rituelen, de oppergod Anana, Mama Aarde en de wintigoden die heersen over de vier leefgebieden aarde, water, lucht en bos. Ze was ermee opgegroeid en haar voorouders gaven haar via trance de kennis door. Winti is, net als voodoo, een mengvorm van de Afrikaanse religies van het Congo-Angola-Benin-gebied die ontstond met de komst van de slaven in het Caribisch gebied, waar de plantagehouders de families en groepen zoveel mogelijk uit elkaar trok. De meeste slaven werden vanuit fort Elmina, dat in 1637 door de Nederlanders werd veroverd op de Portugezen, weggevoerd met achterlating van hun bezitttingen.

Drie jaar geleden werd daar het Panafestival georganiseerd over voorouderverering met Afrikanen, zwarte Amerikanen en Zuid-Amerikanen. Ceder: ,,Het was een heel prestigieus festival, maar het werd waanzinnig chaotisch. We gingen als groep vanuit Nederland voor een eerste pelgrimstocht. Ik had Petterik uitgenodigd met ons mee te gaan, maar niemand kende hem nog. Dat was wel spannend. Maar het werd geweldig. We hebben geofferd aan de zee en het land, optredens gegeven met zang en dans. Eigenlijk onttrokken we ons een beetje aan het officiële festival, waar vooral saaie speeches werden gehouden.''

,,De Ghanezen schrokken dat achtduizend kilometer verderop precies hetzelfde gebeurt. Ze hadden nooit beseft welke omvang de diaspora had. De slavernij is nog maar zo kortgeleden, enkele generaties maar, afgeschaft. De Surinaamse samenleving wordt verscheurd door heimwee naar Afrika, maar tegelijk is de kennis van de geschiedenis heel beperkt en zeggen veel Surinamers: ik ben helemaal geen Afrikaan. Daarentegen zijn de zwarte Amerikanen jaloers op ons. Zij gaan ook op zoek naar hun wortels, maar herkennen niets. De protestants-Engelse cultuur is veel dominanter geweest dan de Zuid-Amerikaanse. Zelfs in Afrika is door de christelijke missie veel verloren gegaan.''

De overeenkomsten tussen Ghana en Suriname zijn frappant: ,,We hebben hetzelfde eten als de Ghanezen, wat ook met de vergelijkbare vegetatie te maken heeft. Dus als we hun pindasoep proeven zeggen we: ja, lekker, maar hij hoort net iets dikker. En toen op een gegeven moment bijna iedereen in slaap was gedommeld bij de saaie speeches, veerden we op bij de trommels: daar klonk onze muziek! Dat was frustrerend voor de Amerikanen, omdat ze mee wilden dansen, maar niet wisten hoe. Het mooiste was nog dat we dezelfde jenever gebruiken bij het plengen als de Ghanezen: Henkes uit Schiedam, waarmee de Hollanders Suriname veroverd hadden.''

,,Zolang de diaspora-beweging actief is - al 1974 gingen Surinaamse chiefs (de granman) vanuit overheidswege naar Ghana - keert de vraag terug 'waarom hebben jullie ons verkocht?' Die boosheid is er. Alle soorten mensen werden verkocht, óók uit eigen kring. De opzet was mensenhandel. Tijdens het festival zei een zwarte, wat oudere Amerikaan tegen Petterik: 'Jij als witte hebt hier niets te zoeken. Waarom willen witten toch altijd weten wat wij doen?' Dat is onze vriend, antwoordden wij, wíj hebben hem uitgenodigd, de volgende keer verven wij hem wel zwart. Toen Petterik zei 'I am Dutch' raakte die man buiten zinnen: 'You, you, you Dutch'! Petterik moest eigenlijk meteen het land uit. 'U komt helemaal uit de Verenigde Staten om mij dat te vertellen?', vroeg Petterik. 'U begrijpt me niet', zei de man, 'Ik bén van hier. Die mensen hadden je nooit mogen uitnodigen.' Gelukkig hebben we dat wel gedaan. Niemand is schuldig, we moeten het samen verwerken. En Petteriks foto's zijn helend voor mij.''

mailIcon print |