*

 
dossier

Archief

Paars en groen

Evert Wasch − 18/11/00, 00:00

Het paarse kabinet maakt zich sterk voor vergroening van het fiscale stelsel. Dat kan het kabinet overigens niet los van Europese regelgeving. Daaruit volgt namelijk dat de steun die gegeven wordt bepaalde maxima niet mag overschrijden. Binnen die grenzen doet het kabinet veel. Er zijn omvangrijke fiscale en niet-fiscale subsidieregelingen voor milieuvriendelijke investeringen voor ondernemers en de particulier kan financiƫle steun krijgen voor een energieplan. (informatie daarover is via het nutsbedrijf te verkrijgen). Verder wordt er een onderscheid gemaakt tussen uiterlijk eind van het jaar bestaande groenfondsen en nieuwe groenfondsen. De bestaande groenfondsen krijgen nog gedurende maximaal tien jaar zonder maximum een tegemoetkoming. Voor nieuwe groenfondsen komt er een tegemoetkoming in box 1 en in box 3. Die bestaat uit het volgende: een vrijstelling van de groenfonds-belegging van maximaal 103539 per persoon in box drie. En een aftrek van 2,5 procent van de waarde van de groene belegging in box 1. Stel dat iemand onder het nieuwe tarief van 52 procent valt en dat de opbrengst van het groenfonds 3,4 procent is. Dan is dus het totale rendement 3,4 plus (52 van 2,5) 1,3 plus (de vrijstelling van box drie van) 1,2 procent is 5,9 procent. Dit is, althans op dit moment, goed concurrerend met het rendement op staatsobligaties.

Wat de gewone milieubelastingen betreft kan een onderscheid gemaakt worden tussen belastingen die men kan beïnvloeden en die waarbij dat niet het geval is. De zuiveringslasten zijn niet te beïnvloeden omdat die ongeacht de afgevoerde hoeveelheid voor een particulier huishouden gelijk is. De enige verschillen zijn of er een eenpersoons- of meerpersoonshuishouding wordt gedreven en het tarief dat per waterschapsgebied verschilt. Soms komt er in gemeenten ook een rioolbelasting voor en die is weer wel te beïnvloeden. Door minder water via het riool af te voeren betaalt men meestal ook minder rioolafvoerbelasting (In gemeenten waar een hoge vrijstelling van die belasting geldt voor bijvoorbeeld een twee- of driepersoonshuishouden maakt het weer niet uit). Wat zeker te beïnvloeden is, is de rijksgrondwaterbelasting. Deze is namelijk gekoppeld aan de (meestal via het waterleidingbedrijf) ingenomen hoeveelheid drinkwater. Datzelfde geldt voor de rijksbelasting op stroom en gas, de regulerende energiebelasting. Voor sommige instellingen geldt daarbij nog een extra tegemoetkoming van 50 procent van de totale belasting. Men mag dan niet onder de vennootschapsbelasting vallen en moet een algemeen nut beogen.

De gemeentelijke afvalstoffenbelasting, zeg maar de vuilniszakkenbelasting, kan men soms wel en soms niet beïnvloeden. Gemeenten hebben namelijk het recht om allerlei differentiaties bij die heffing in te stellen. De heffing kan verschillen naar soort afval en naar hoeveelheid. Heeft men hier belang bij, omdat men zelf in staat is weinig afval aan te bieden (door milieubewust in te kopen, te composteren en dergelijke) dan kan het zin hebben bij gemeenten op een (verdere) differentiatie van die belasting aan te dringen. Wat natuurlijk te beïnvloeden valt is de brandstoffenbelasting die op de autobrandstof zit. Weinig rijden is weinig fiscaal lijden. Er komt nu overigens door het toenemende politieke verzet tegen de tolpoorten een alternatief naar voren in de vorm van kilometerheffing. Ook de particuliere automobilist krijgt dan een zwarte doos geïnstalleerd en gaat per verreden kilometer betalen. Een alternatief daarbij zou kunnen zijn iedere Nederlander, mits in het bezit van een rijbewijs, een hoeveelheid vrij te verrijden kilometers toe te delen en die verhandelbaar te maken. Men krijgt dan namelijk nog geld toe door niet of weinig te rijden! Het door de werkgever aan de werknemer ter beschikking stellen van een ov-jaarkaart blijft overigens volgend jaar fiscaal vriendelijk belast. Voor een tweede klas kaart is het belaste stuk op 120 gulden per jaar gesteld en voor een eerste klas kaart op 180 gulden.

mailIcon print |