*

 
dossier

Archief

Vooruitzicht

Peter Sierksma − 05/02/00, 00:00

Dit is het mooie van bladeren en lezen. Van het een komt het ander. En voor je het weet bevind je je, ver weg van de stoel waarop je zit, in een ander land. Een gebied voorbij Babel, waar geen verwarring heerst. Een staat waar iedereen dezelfde taal verstaat.

Niet spreekt; dat is wat anders, maar dat geeft niet. Luisteren en lezen is genoeg. Dit stukje zou, dat wist ik zeker, over Bernlef gaan. Over isolement en vindingrijkheid. Wie Bernlef (de naam verwijst naar een beroemde blinde bard) kent, weet wel waarom. Al lezend kwam ik zo van zijn nieuwste roman 'Boy' (gewijd aan een doofstomme) bij een ander boekje terecht dat hij in 1965 met K. Schippers schreef. 'Wat zij bedoelen' heet het. Het is een bundel vol droge interviews met negen schrijvers en dichters. Geen opsmuk, geen romantiek of enige verhevenheid. Niet de mythe maar het alledaagse van de dichter en zijn taal kom je te weten. Dat eenvoudige, dat spreekt mij aan. Want hoe vaak ben ik niet gestruikeld over grootse visioenen en ideeën. Je joeg ze na omdat je voorgehouden werd: dit is het enig grootste goed. En dan zag je het niet. En voelde je je schuldig. Dus werk en lees ik 't liefst maar als een kind; dan zie je 't eind-en-al-goed misschien straks ook wel. Zo kwam ik in 'Wat zij bedoelen' bij Jan Hanlo terecht. Het ging over een klein gedichtje en de kracht van de beperking. De beperking als vlag in plaats van handicap. 't Ging zo:

Hoor de merel

(De lieve moeder)

Ja ik luister

(Het lieve kind)

Boy o Boy, dacht ik. (Dat had met dat horen te maken.) Maar ook: Wat mooi, een land vol merels, moeders en kinderen. (En ja, dat leek verdacht veel op een visioen.)

mailIcon print |