Bart Tromp waarschuwde vijftien jaar geleden dat de democratie in gevaar kon komen door de erbarmelijke staat waarin de politieke partijen verkeerden. Tot dusver is zijn voorspelling dat de toestand alleen maar zou verergeren bewaarheid, meent de politicoloog. Van een ideële organisatie verworden de politieke partijen tot een bedrijf, door sponsors gefinancierd, waarin voor vrijwilligers en idealisten geen plaats meer is.
Tromp, hoofddocent politieke wetenschappen aan de universiteit van Leiden, schrijft dat in het laatste nummer van De Gids. De transformatie van de PvdA, waarvan Tromp ooit hoofdbestuurslid was, tot een 'uitzendbureau voor kamerleden en een reclambureau voor de lijst-Kok' is volgens hem exemplarisch voor de ontwikkelingsgang van de meeste grotere partijen.
Zij hebben de beginselen op grond waarvan zij de strijd met andere partijen aangingen over de ideale inrichting van de maatschappij, ingeruild voor wervingstechnieken om zoveel mogelijk kiezers achter zich te verzamelen. Een bindend ideaal is in die strijd om de macht niet meer van belang.
,,Opmerkelijk is dat de belangrijkste politieke partijen hun eigen betekenis als beginselpartij zelf bagatelliseren'', schrijft hij. ,,Zij gebruiken hun programma's alleen tijdens de verkiezingscampagne, om daarna om het hardst te verklaren dat deze geen dogma kunnen zijn en bovendien snel verouderen. Vervolgens komen zij onder elkaar een regeerakkoord overeen dat wél een dogma is en door de tijd heen onaantastbaar.''
Over een partijprogramma kan de kiezer met zijn stem nog een oordeel vellen, over een regeerakkoord heeft hij daarentegen niets te zeggen. Het negatieve gevolg voor de werking van de democratie is, aldus Tromp, dat wezenlijke kwesties die coalitiepartijen in het regeerakkoord regelen nooit aan een oordeel van de kiezers zijn onderworpen. Aan het eind wacht de Latijns-Amerikaanse democradura, de combinatie van democratie en dictatuur, waarin kiezers hun leiders kiezen zonder zich uit te kunnen spreken over het beleid dat zij gaan voeren.
Zonder twijfel ongewild, laten de directeuren van de wetenschappelijke bureaus van de coalitiepartijen PvdA, VVD en D66 in het laatste nummer van het blad Civis Mundi zien dat Tromps onheilspellende analyse niet uit de lucht is gegrepen. Zij hebben, net als hun collega's van de oppositiepartijen CDA, GroenLinks, SP en ChristenUnie, bijgedragen aan een themanummer van dit blad.
Op uitnodiging van de hoofdredacteur, emeritus hoogleraar politicologie Couwenberg, reageren zij op de vraag wat onder het heersende postmodernisme, waarin alles even belangrijk is en we geen enkele waarde meer hoger mogen aanslaan dan een andere, nog de rol van politieke partijen kan zijn. Immers, de kernfunctie van politieke partijen was oorspronkelijk om op grond van een hiërarchie die elke partij voor zich aanbracht in waarden als vrijheid, gelijkheid en solidariteit, de kiezers een keuze voor te houden.
Dit thema staat centraal op een congres dat Couwenberg samen met de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, op vrijdag 8 september organiseert. ,,Politieke partijen, wie of wat vertegenwoordigen zij nog?'' vraagt Couwenberg zich af. Hij meent dat de technocratie die hij in de politieke besluitvorming waarneemt, het einde kan betekenen van een politiek die een eigen stempel wil drukken op de maatschappelijke ontwikkeling.
Het verst in de tendens die Tromp en Couwenberg waarnemen, gaat de directeur van het wetenschappelijk bureau van D66, Christiaan de Vries. Hij betoont zich een geestverwant van Paul Frissen, een bestuurskundige die aan de weg timmert met de opvatting dat in de 'netwerksamenleving' politieke partijen overleefd zijn. Burgers maken ieder voor zich deel uit van willekeurige netwerken en laten zich niet meer aanspreken als groepen met een gemeenschappelijke ideaal, meent Frissen.
In een netwerksamenleving valt niets te sturen. Voor partijen is het formuleren van doelen daarom zinloos geworden. Politici zullen zich profileren met een stijl, niet met een programma.
De Vries trekt uit deze analyse de conclusie dat het parlement zijn functie van arena van strijdende partijen heeft verloren. Volgens hem zijn de verschillen tussen volksvertegenwoordigers nagenoeg verdwenen en representeren zij allen tezamen het 'publieke': het verbindende belang dat het particuliere overstijgt. Beginselen waarmee politici zich kunnen onderscheiden in de formulering van dat publieke belang, zijn volgens hem uit de tijd.
Het relativisme van De Vries is niet verwonderlijk in een a-ideologische partij als D66. Maar ook zijn collega's van de VVD en de PvdA, oorspronkelijk beginselpartijen, laten in Civis Mundi Couwenbergs vraag wie of wat hun partijen nog vertegenwoordigen onbeantwoord.
VVD'er Klaas Groenveld, directeur van de Teldersstichting, meent dat met meer financiële steun, van zowel overheid als bedrijfsleven, het probleem van de disfunctionerende partijen goeddeels kan zijn opgelost. Met dat geld kunnen ze het interne debat organiseren, kader scholen en campagnes financieren. Het geldgebrek waaronder de partijen volgens Groenveld thans lijden, bedreigt in zijn visie de mogelijkheid hun traditionele functies uit te oefenen. De belangrijkste functie is volgens hem de formulering van het algemeen belang, op grond van een afweging van deelbelangen.
Groenveld gaat evenwel niet in op de vraag of zijn partij nog behoefte heeft aan uitgangspunten, oftewel beginselen om die afweging te kunnen maken. Hij leidt de lezers van die vraag af, door in de aanval te gaan op de sociaal-democraten die volgens hem hun eigen gezicht hebben ingeruild voor een liberaal profiel.
Zijn collega van de PvdA, Paul Kalma, reageert met een tegenaanval op de VVD. Achter de pogingen van Groenveld en ook Frits Bolkestein om de sociaal-democratie dood te verklaren en de Derde Weg als een knieval voor het liberalisme te interpreteren, gaat volgens Kalma onwil schuil om te erkennen dat van een intern debat binnen het liberalisme geen sprake is. Hij stelt daar het 'Derde-Wegdebat', de zoektocht in de Europese sociaal-democratie naar een werkbaar compromis tussen vrije-markteconomie en sociale rechtvaardigheid, als lichtend voorbeeld tegenover. ,,De sociaal-democratie leeft, in en door haar tegenspraken. Het wachten is op een vergelijkbaar levensteken aan liberale kant.'' Wat evenwel opvalt in zijn uitvoerige beschrijving van het ideologische geladen Derde-Wegdebat, is dat PvdA-politici er geen enkele rol in spelen en het overlaten aan de geestverwanten in Engeland, Duitsland en Frankrijk.
In oktober presenteert een partijcommissie een nieuw beginselprogramma voor de PvdA. Tot dusver vindt deze discussie in de marge plaats. Het is de vraag hoeveel belang de partij hecht aan een debat over beginselen. Een veeg teken is dat in de laatste congresdocumenten een ideologisch geladen kernzin uit de eerste proeve voor een beginselprogram, over de neiging van de PvdA aan economische expansie de voorrang te geven boven ecologische duurzaamheid, bleek te zijn geschrapt zonder dat er één haan naar kraaide.
De enige partijen die zich in Civis Mundi bekennen tot de klassieke visie op de taak van een politieke partij zijn het CDA en, meer nog, de ChristenUnie (RPF/GPV). Ab Klink, directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, stelt met spijt vast dat de discussie over waarden uit het publieke discours is gebannen. ,,Zoals sommige ouders er alles aan doen om tijdens verjaarspartijtjes controversiële onderwerpen over religie en politiek buiten de deur te houden uit angst voor conflict, zo worden in de politiek kwesties vooral geduid als verdelings- en instrumentele vraagstukken, hoewel er wel degelijk belangrijke botsingen van waarden achter schuilgaan.''
Klink ergert zich aan de ontkenning van verschillen tussen mensen. Hij schrijft dat relativisme toe aan de onnodige afkeer van polarisatie die sinds de jaren zeventig is gegroeid. De polarisatie van destijds bestond uit machtswoorden en uitsluitingstechnieken, niet uit botsende opvattingen over waarden.
Klinks collega van de ChristenUnie, Roel Kuiper, wijst het Nederlandse consensusmodel aan als oorzaak van het verlies aan ideologie bij partijen die aan de macht zijn. ,,De dogmatiek van dit model bestaat hierin dat men zich aanpast aan de doorsneedeugd van het midden. Daarin is onze politiek cultuur nog volmaakt burgerlijk'', schrijft hij. ,,Daardoor mist die cultuur een essentieel kenmerk waardoor politiek ook echt politiek wordt.'' Kuiper citeert met instemming de Duitse politiek denker uit het begin de vorige eeuw Max Weber: ,,Dat kenmerk is het dienen van een zaak waarin men gelooft. Ons politieke geloof zit niet in deze of gene ideologie, maar in het perpetuum mobile van redelijk overleg en een rustige vooruitgang aller dingen.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.