Hoe duur is het woord excuus, uitgesproken door premier Kok in de kwestie van de teruggave van Joodse tegoeden?
Volgens Ronny Naftaniël, directeur van het Cidi (Centrum informatie en documentatie Israël) kan de erkenning van de emotionele schade die Joodse families en individuen hebben geleden bij de gebrekkige opvang na de Tweede Wereldoorlog niet helemaal los worden gezien van een vergoeding voor de materiële schade. ,,De regering kan toch niet erkennen dat de opvang gebrekkig was en vervolgens op het geld blijven zitten dat van Joodse families is?''
Als de spijtbetuiging van de premier alleen de opvang van Joodse overlevenden na de Tweede Wereldoorlog betreft en niet de manier waarop ze in materiële zaken behandeld zijn door de toenmalige Nederlandse overheid, dan vindt hij het een halve spijtbetuiging. ,,Met het Verbond van Verzekeraars en met de Nederlandse Vereniging van Banken maakte het Centraal Joods Overleg ook afspraken over terugbetaling, naar tevredenheid. Waarom zou het dan niet met de regering kunnen?''
Geld is in deze zaak niet het belangrijkste, vindt Naftaniël, al ijvert hij ervoor dat uiteindelijk een fatsoenlijk bedrag over tafel gaat, als de Nederlandse regering het 'laatste onrecht' vergoedt: de vermogenskwestie die is ontstaan ná de Tweede Wereldoorlog. Het gaat hierbij voor een deel om geld dat volgens de letter van de wet inderdaad aan de Nederlandse staat toekwam. Maar als de omstandigheden in aanmerking worden genomen waaronder het geld vrijviel, rijzen er twijfels.
,,Neem de kwestie van de successierechten. Die moesten over een bedrag soms vier keer worden betaald, doordat de officiële erfgenamen met korte tussenpozen achter elkaar stierven, zodat de erfenis steeds van het ene naar het andere familielid overging. Maar als je weet dat die familieleden allemaal in Auschwitz zaten en daar de een na de ander vermoord werd, kun je je afvragen hoe rechtvaardig het is dat de enig overgebleven erfgenaam vier keer successierechten moest betalen. En soms werd die erfenis niet eens uitgekeerd.''
Naftaniël noemt een voorbeeld uit zijn eigen familie, waar hij pas onlangs kennis van nam. Een familielid dat als enige van het gezin levend uit het concentratiekamp is teruggekeerd, verzoekt de toenmalige Raad voor Rechtsherstel, het beheer te krijgen van de zaak van zijn vader. ,,De Raad weigerde, omdat die jongen in 1937 een keer een boete had gehad van 17,50 gulden. Hij was geloof ik dronken geweest. Inderdaad mocht je, om het beheer van een zaak te krijgen, geen strafblad hebben en hij had dat dus wel.''
,,Maar je moet je voorstellen, hij had het grootste drama van zijn leven meegemaakt. En dan word je geconfronteerd met zo'n kille bureaucratie. Dat is de geest van de schraperige Lieftinck, die ook al snel een maatregel nam om de beurs te beschermen, waardoor de Joodse effectenhandelaren geen schadevergoeding meer konden krijgen. Is het nu zo moeilijk om daarover 'het spijt me' te zeggen?''
De kwestie van teruggave van joodse tegoeden speelt niet alleen in Nederland. Sinds het Joods Wereldcongres in 1996, na lang en vasthoudend onderhandelen met de Zwitserse bankiersvereniging, de weg vrijmaakte voor een onderzoek naar tegoeden van rekeninghouders die na 1945 niet meer waren komen opdagen, is ook in andere landen het onderzoek naar verdwenen tegoeden begonnen. In Noorwegen is vorig jaar overeenstemming bereikt tussen parlement en Joodse organisaties. De regering heeft spijt betuigd en betaalt daarnaast 140 miljoen gulden aan de Joodse gemeenschap.
In Frankrijk hebben zowel banken als verzekeringsbedrijven hun verantwoordelijkheid toegegeven voor de materiële verliezen van de Joodse gemeenschap. In België zijn banken en het verzekeringswezen nog niet zo ver.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.