Zaterdag treedt A. J. Glazemaker, aartsbisschop van de oud-katholieke kerk, na bijna twintig jaar in het ambt, terug. Ook in zijn ambtsperiode is het schisma tussen roomsen en oud-katholieken niet overwonnen. De oud-katholieke kerk is klein, maar er is enige import, vooral van protestantse zijde, van ,,mensen die afwillen van dat hijgerige, voor God alles verantwoorden'. Een ontmoeting.
De droom is nog steeds van een oud-katholieke kerk als een erkende stroming binnen de grote katholieke traditie, als een soort kloosterorde met eigen statuut en spiritualiteit. Maar na veertig jaar priesterleven en bijna twintig jaar aartsbisschop van Utrecht en president van de unie van oud-katholieke kerken weet mgr. A.J. Glazemaker (68) dat het schisma van rooms- en oud-katholiek uit 1723 ook na zijn bewind nog duurt. Zaterdag treedt hij terug - en al zijn er dromen onvervuld, hij telt ook zijn zegeningen.
Eén kastanje heeft Glazemaker al voor zijn opvolger uit het vuur gehaald: afgelopen najaar wijdde hij Grete Verwey tot priester. Eigenlijk al sinds Glazemaker priester is (1961), is de vrouw-in-het-ambt in deze kerk een issue. Zelf erkent hij: ,,Ik ben daarin geen voorloper geweest, hield me er niet zo mee bezig. Mijn voorganger als aartsbisschop (de onlangs overleden Marinus Kok - pv) was fervent tegen, dreigde zelfs met aftreden als onze synode vóór zou stemmen. Toen ik hem in 1982 opvolgde heb ik niet gedacht dat ik het zou doen. De dingen zijn in een stroomversnelling geraakt. Met de jaren is ook monseigneur Kok milder geworden; ook hij vond dat de vrouw-in-het-ambt geen reden is om met elkaar te breken.'
In 1976 was er nog van bovenaf een scherp nee uitgesproken tegen de vrouwelijke priester, maar het proces ging door. Eén keer bekroop Glazemaker het gevoel dat de discussie fout liep - een open brief van verontrusten. Waarom dat middel? Werkte onze synode niet goed dat zo'n buitensynodale actie nodig was? Het bleek een incident. De synode werkte wél en toen zij uiteindelijk eind 1998 zo van harte akkoord ging en ook degenen die aarzelden de saamhorigheid vooropstelden, mocht Glazemaker tevreden vaststellen dat de dialoog over het netelige onderwerp waardig was gevoerd en dat er in brede consensus was besloten.
Internationaal ligt het moeilijker, geeft hij toe. In de betrekkingen met Rome en de orthodoxie, natuurlijk. De orthodoxen vinden het onbegrijpelijk dat je een traditie van 2000 jaar na een discussie van luttele decennia opzij zet. Maar ook binnen de oud-katholieke kerken ligt het ver uiteen. De zusterkerken in Duitsland en Zwitserland lopen voorop, maar die in Polen en in de Verenigde Staten (óók Pools) zijn mordicus tegen de vrouwelijke priester. Een breuk dreigt. Glazemaker verwijst ter verklaring van de emoties in Amerika naar het maatschappelijk debat over feminisme en over homo-emancipatie. De episcopaalse (anglicaanse) kerk, met haar wortels in het liberal, well-to-do noord-oosten van de VS is daarin meegegaan, terwijl de kerken van kleine luyden en arme arbeiders zoals gereformeerden en ook Poolse oud-katholieken er juist van gruwen.
Als president van de Unie van Utrecht (de wereldbond van oud-katholieke kerken) heeft Glazemaker naar eigen zeggen geen andere macht dan ,,de macht van de liefde'. Dus dan gaat hij er maar weer eens naar toe. En hij is blij dat een ambtsbroeder uit deze bezwaarde kerk toch naar zijn afscheidsdienst komt: een breuk is er dus nog niet. Hij denkt dat de Polen misschien meer fiducie in hem hadden als hij wat meer een prelaat was, zoals zijn voorganger Kok was. Glazemakers hart ligt bij de liturgie, de verkondiging, de traditie, maar hij is meer het type van een een gemoedelijke pastoor dan van een in hoogheid gezeten prelaat; evenmin is hij een filosoof of encycliekenschrijver, weet hij.
Met dat laatste reageert hij op de vraag waarom hij en zijn kerk eigenlijk zo weinig kanen wisten te braden uit de decennia van malaise in de grote rooms-katholieke moederkerk. Pauselijk gezag, autoritaire verhoudingen, celibaat, verkrampte ideeën over dogma en seksualiteit, getob, ruzie. De oud-katholieken hebben geen last van dat bekende rijtje waartegen zoveel rooms-katholieken maar stormlopen. Waarom niet duidelijker laten zien dat een liefde voor de katholieke traditie goed kan samengaan met mild, open, democratisch, waardig, tolerant?
Glazemaker wil geen garen spinnen uit de ellende van een ander; hij gelooft niet dat zijn kerk een haven kan zijn voor vluchtende rooms-katholieken. Maar hij ziet het ook als zijn armoede, ,,mijn gebrek aan power om brieven te schrijven. We hebben in die zin weinig geproduceerd: één brief over het huwelijk en laatst een over het ambt. We hadden explicieter naar buiten kunnen brengen dat wij genezend kunnen zijn binnen de catholica. We hebben bijvoorbeeld nooit onze ervaringen met ons synodaal en collegiaal bestuur verteld. Maar we zijn maar een kleine kerk, met een goed, maar heel klein kader.'
De OKK nam uit de moederkerk de hele klerikale wijze van besturen mee: een bisschop die de baas was en die op z'n best de priesters consulteerde. Daar is de laatste vijftig jaar veel verandering in gekomen. Neem de bisschopsbenoemingen. Aan het begin van deze eeuw koos het kapittel (college van oudere, wijze priesters) de nieuwe bisschop. Men stelde er zelfs 'Rome' nog van in kennis. Nu is er een kiescollege mét ook leken erin en de volgende keer kiest wellicht de synode de bisschop. In diezelfde periode is ook in de RKK de rol van het kapittel bij bisschopskeuzes uitgehold, niet in ruil voor lekeninmenging, maar slechts voor meer Vaticaans centralisme.
In het bestuur van zowel rooms- als oud-katholieke kerk is er veel veranderd. De rk bisschoppen vergaderen wat af in raden, commissies en adviescolleges, maar bij de oud-katholieken is het gekomen tot een 'collegiaal bestuur', het CB, met de twee bisschoppen, twee stemhebbende vertegenwoordigers zowel van de clerus als van de leken, plus nog twee benoemden, onder wie de thesaurier. Alleen in zaken van leer en verkondiging houden de bisschoppen hun eigen verantwoordelijkheid eventueel tegen de meerderheid van het CB in. ,,Ik heb er de vruchten van mogen plukken', vertelt Glazemaker. Zijn ervaring is dat deze collegialiteit niet vervreemdt van de katholieke traditie.
Glazemakers roots zijn van vaders- en moederszijde oud-katholiek, maar dat zuiver-op-de-graat oud-katholieke wereldje in plaatsen als Egmond, IJmuiden, Hilversum verdwijnt door alle verhuizingen. Het was een gezellig maar gesloten wereldje, geeft hij toe. Nu is er enige import - vooral uit protestantse hoek, ,,mensen die afwillen van dat hijgerige, voor God alles verantwoorden, zij zoeken inhoudelijk de katholieke traditie, zonder paus, zonder celibaat, maar mét haar liturgie die bij ons samengaat met een sterk bijbelse prediking'.
Glazemaker was als jonge gymnasiast in Hilversum al geraakt door de oecumene, toen in 1948 in Amsterdam de Wereldraad van kerken werd opgericht. Zijn kerk staat midden in de oecumene, maar is niettemin alleen. De eerste partner is en blijft moeder Rome en de relaties zijn redelijk, maar de afstand tussen hereniging-onder-voorwaarden of onderwerping is erg groot. De lutheranen dan? In Nederland zijn die met hun afkeer van bisschoppen te calvinistisch - in Finland of de Baltische staten zou Glazemaker met de lutheranen zo 'samen op weg' willen. In de Raad van kerken in Nederland vormen de oud-katholieken het 'midden'. Maar Glazemaker relativeert deze veronderstelde cement-positie: vaak gaat het daar over maatschappelijke kwesties, mensenrechten, asielzoekers, en juist in die discussies heeft de kleine OKK minder ervaring en expertise dan de grote rk kerk en SOW-kerken.
Glazemaker heeft geen meesterplan voor de toekomst van zijn kerk, de kerken. Ja, terug naar de wortels, naar het hart van de zaak, het evangelie herijken in de cultuur van nu. Maar hoe?
,,Soms zie je het gebeuren, dat dingen van binnenuit weer glans gaan krijgen. De traditie van de kerk gaat wel verder. Je geeft door wat je niet weet, schatten die je niet allemaal nu kunt consumeren. Je moet leren verdragen dat we werken met wat geen hapklare brokken zijn.'
Een vraag op het eind van het gesprek raakt bij de bisschop een gevoelige snaar: waarom geen oud-katholiek kloosterleven? Het blijkt een diepe wens, van hem, van zijn voorganger en van anderen. Van de oosterse orthodoxie heeft hij geleerd dat niet kloosters vanuit de kerk worden gesticht, maar andersom. Vernieuwing komt uit het klooster, crises zijn vaak door kloosterordes, van buiten de instituties overwonnen. Port Royal, het Parijse klooster dat in de achttiende eeuw de beginnende oud-katholieke kerk geestelijk stempelde, Grandchamp en Taizé nu, hij kent van nabij nog de Nikola- communiteit in Utrecht en Jan 17 in Castricum, de charismatische vernieuwing: initiatieven met beperkt bereik. ,,Je kunt het niet afdwingen', zegt hij, en: ,,Ook de bestaande (rk) kloosters verkeren in een wachttijd'.
In de komende tijd hoopt Glazemaker zelf vanaf de zijlijn weer meer zondagswerk te doen: preken en voorgaan. Hij is overtuigd dat zijn opvolger de zorg krijgt over een kleine, vitale kerk, financieel gezond en met een goed gevormd professioneel kader van gemiddeld 45 jaar. En nog meer bemoedigends tot slot.
Vroeger, als iemand overstapte van de ene naar de andere kerk zagen de achterblijvers dat als verraad. Sommigen doen dat nog en handelen ernaar, maar het kan anders. Niet lang geleden nam Glazemaker een jonge vrouw in zijn kerk op; zij was twintig jaar naar een geestelijk dak op zoek geweest. Zij was van zwaar gereformeerde huize. ,,Dat zal voor je ouders dan wel moeilijk te aanvaarden zijn', voelde de bisschop pastoraal mee. Tot zijn verrassing kwamen de ouders, die de stap van hun dochter geenszins wilden volgen, naar de bewuste kerkelijke plechtigheid en gingen zelfs mee ter communie, want zeiden ze: ,,We geloven dat onze dochter nu op haar bestemming is'. Die houding - op zo'n moment wil Glazemaker even absoluut niets horen van oecumenische malaise.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.