Legers moeten in internationale vredesmachten niet zo vol trots de eigen nationaliteit benadrukken. Dat vlagvertoon werkt averechts bij het bestrijden van nationalistische uitwassen. Buitenlanders kunnen daarom in het Nederlandse leger alleen maar een positieve invloed hebben.
Instituut Clingendael heeft groot gelijk met zijn voorstel de krijgsmacht open te stellen voor niet-Nederlanders. De kritiek die is losgebarsten op het voorstel is weinig zakelijk en laat vooral zien welke bedenkelijke emoties er vrijkomen zodra de krijgsmacht in het geding is.
Kennelijk roept de krijgsmacht bij velen een oranjegevoel op. Het leger is ons visitekaartje waaraan onze nationale trots is opgehangen. Het collectieve schaamtegevoel dat zich van ons meester maakte toen Srebrenica werd uitgemoord terwijl Dutchbat er met gebonden handen bijstond, sprak boekdelen. Hier faalde ónze krijgsmacht, hier faalde Nederland. Dat wij in VN-verband opereerden was weliswaar een veel gebezigd excuus, maar werd door de meesten van ons nauwelijks als zodanig ervaren. Srebrenica is een zwarte bladzijde in ónze geschiedenis.
Nederland is nog steeds bereid aan vredesoperaties deel te nemen, maar na Srebrenica alleen nog op voorwaarde dat de overwinning zo goed als zeker is. Onze nationale trots moet gestreeld en niet gekrenkt worden. Toen ik afgelopen zomer bij Orahovac (Kosovo) de Nederlandse Kfor-troepen bezocht, viel het me op hoe goed de pr inmiddels verzorgd was. De Nederlandse eenheden deden succesvol werk in Orahovac, zo kreeg ik te horen. De spanningen tussen de Albanezen en Serviërs werden efficiënt beheerst en de samenwerking met beide partijen liep gesmeerd. Maar nog geen twee dagen later blokkeerden de Albanezen de toegangswegen tot de stad, omdat ze via het dagblad Koha Ditore, dat op haar beurt de informatie van mij ontvangen had, te horen hadden gekregen dat de Russen de Nederlanders zouden vervangen. De Nederlandse commandant had het niet nodig gevonden de Albanese leiders daarover te informeren. Maandenlang was de spanning te snijden in de stad. Hoezo succesvol?
Wat ik hier voor Nederland zeg is allerminst uniek. Voor andere landen geldt precies hetzelfde. Ook daar is de krijgsmacht de trots der natie. En een optreden in den vreemde dient dan ook gepaard te gaan met veel vlagvertoon. Nergens zie je zo duidelijk dat het niet Kfor (of de Navo) is die vrede brengt in Kosovo, maar een bonte verzameling van nationale legertjes, weliswaar gekleed in Kfor-uniformen en rijdend in Kfor-voertuigen, maar daarenboven en zeer zichtbaar uitgedost met de kleuren van de eigen nationale vlag. Als een colonne passeert, dan kan het je niet ontgaan dat hier Nederland voorbijtrekt, of Frankrijk, of Zweden.
En op elke compound wordt de nationale rating bijgehouden: wie is het meest gevierd bij de Kosovaren? De Britten zullen je vertellen dat zij de beste zijn. Maar als je met Duitsers spreekt, lijkt hún populariteit ook met de dag te groeien, zeker in Prizren en omgeving. En de Fransen gaan er prat op dat zij hoog scoren bij de Serviërs in Mitrovica, al was het maar omdat ze de paramilitaire groepen daar feitelijk geen strobreed in de weg leggen. Natuurlijk heeft iedereen het meeste respect voor de Amerikanen, zo schijnen die zelf te denken. Hoe ze dat kunnen weten is mij een raadsel, want ze zijn onbereikbaar voor de locals. Ze hebben zich letterlijk verschanst in Kosovo. De troepen zitten samengepakt op de Amerikaanse basis en het hogere en overige Amerikaanse personeel heeft een dure wijk afgehuurd in Pristina, waar niemand ongevraagd binnen mag komen.
Kfor als militaire eenheid bestaat niet in Kosovo en geen van de deelnemende landen lijkt zich daar zorgen over te maken. Integendeel.
Kfor is net als Sfor en voorheen UNprofor vooral een bonte verzameling van nationale enclaves. Hoe riskant dat is in een conflictzone, zou het recente verleden ons hebben moeten leren. Neem weer Srebrenica. De val van Srebrenica werd onder andere toegeschreven aan de weigering van de VN om tijdig luchtsteun te verlenen toen daar dringend om werd gevraagd. Die vraag kwam van een Nederlandse commandant ter plekke, en werd gericht aan een andere Nederlander, namelijk een kolonel in Tuzla. En die op zijn beurt legde het verzoek voor aan wederom een Nederlander, een generaal in Sarajevo. Daar sneuvelde de aanvraag. De strijd om Srebrenica was aan VN-kant voornamelijk een Nederlands onderonsje.
Een les die tot op de dag van vandaag nog nimmer geleerd is, is dat een internationale militaire (vredes)operatie moet worden uitgevoerd door een geintegreerd leger waarin soldaten van verschillende nationaliteiten als een geoliede eenheid samenwerken. Het mag er niet toe doen uit welk land je komt en je dient je daar ook niet op te laten voorstaan. Want dat gaat allemaal ten koste van de discipline en de effectiviteit van de operatie. Soldaten zijn in dienst van UNprofor, Sfor, Kfor of de Navo. Als een land niet bereid is, zijn militairen aan zo'n geïntegreerd samenwerkingsverband af te staan, maar toch vooral nationaal wil optreden, kunnen de militairen maar beter thuisblijven. Om ongelukken te voorkomen.
Ik pleit er dan ook voor om de nationale symbolen geheel en al weg te laten bij internationale operaties. We zijn in Kosovo en in Bosnië om daar een multinationale samenleving te bevorderen. Ons nationale vlagvertoon wekt evenwel de indruk dat we daar zelf nauwelijks in geloven. Ik besef echter heel goed hoe moeilijk het is om deze 'heilige nationale koe' overboord te zetten.
Het voorstel van Clingendael om buitenlanders toe te laten tot de Nederlandse krijgsmacht komt gelukkig op het juiste moment. Het zou niet alleen een personeelsprobleem kunnen oplossen, maar ons ook kunnen helpen om aan het idee te wennen dat we omwille van de zaak -het beschermen van mensenrechten en het bevorderen van de internationale rechtsorde- onze eigen nationale obsessies maar beter kunnen reserveren voor het voetbalveld. In conflictgebieden hebben ze namelijk een louter averechtse werking.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.