Zolang grote politieke partijen doordesemd zijn van een antipolitieke mentaliteit, zullen ze leden blijven verliezen. Die willen echt kunnen meepraten. Als partijen goed draaien, wordt de politiek ook weer aantrekkelijker en zal de democratie weer beter functioneren.
Dat de democratie in Nederland in grote problemen verkeert, wordt vaak afgeleid uit het dalende aantal leden van politieke partijen, althans van grote politieke partijen. P. Miedema deed dat in Trouw van 10 december 1999; Herman van Gunsteren maakte daar op 15 december kanttekeningen bij, waarvan ik het meest opvallend vond dat hij een partijstelsel maar één van de vormen vond waarin democratie gestalte kan krijgen. Van Gunsteren wees, niet als eerste, op het ledental van bewegingen als Natuurmonumenten, dat groeit terwijl dat van partijen daalt.
De bijdrage van de hedendaagse burger aan de publieke zaak blijft voor 99procent beperkt tot het invullen van een giro- of bankoverschrijving. Veel van de natuur-, mensenrechten en andere georganiseerde bewegingen hebben wel formeel een verenigingskarakter, maar feitelijk is er geen sprake van dat ze intern ook als zodanig functioneren. Als voorbeeld kunnen de ANWB en de Waddenvereniging gelden. Bij de eerste, die oorspronkelijk en in naam nog steeds een wielrijdersbond is, werd een paar jaar geleden een toch al unieke poging van verontruste leden om het lidmaatschap politieke inhoud te geven, in de kiem gesmoord. Bij de Waddenvereniging doen zich regelmatig botsingen voor tussen de verenigingsdemocratie en de logica van een beroepsstaf. Greenpeace heeft zulke problemen niet, omdat het een stichting is die geen leden kent: de professionals die door de stichting zijn aangenomen, bepalen het beleid en voeren het uit. Men kan dit verschillend waarderen, maar met politiek en burgerschap, in de zin van deelname aan de publieke zaak, heeft dit niets te maken.
In dit opzicht vormen dergelijke bewegingen dan ook geen alternatief voor politieke partijen, waarbij ik overigens opmerk dat op staatsniveau democratie nooit mogelijk is gebleken zonder een stelsel van politieke partijen. Het probleem is daarom allereerst de revitalisering van politieke partijen. Miedema geeft een aantal 'structurele' redenen voor hun neergang in de laatste twintig jaar, in termen van secularisatie en het afnemen (of ontkennen) van ideologische tegenstellingen. Hij en Van Gunsteren noemen echter ook factoren op het niveau van de politiek zelf, dat wil zeggen factoren waarop politici en partijen zelf greep hebben. Het komt mij voor dat dit ook het niveau is waarop oplossingen gezocht moeten worden, want aan structurele trends valt, net als aan het weer, niet veel te doen.
Bij partijen is de kern van de zaak in mijn ogen het feit dat met name de grote politieke partijen doordesemd zijn van een antipolitieke mentaliteit. Zij tenderen naar wat ik ruim tien jaar geleden gedefinieerd heb als het 'Greenpeace-model' - een partij waarin een kleine groep zichzelf recruterende politici de dienst uitmaakt, en leden alleen gewaardeerd worden als contribuanten en klapvee. Zij laten weinig of geen ruimte aan intern politiek debat en roepen in hun retoriek voortdurend een tegenstelling op tussen de frisse vrolijke sfeer van gemanipuleerde feestvergaderingen en pseudodiscussies van zorgvuldig geselecteerde bonzen, van focusgroepen en verkiezingsconsultants aan de ene kant, en het 'ouderwetse gedoe' van leden die in zaaltjes ('in zaaltjes'!) vergaderen over 'moties' en dat soort dingen. Kortom, zij maken het lidmaatschap voor politiek geïnteresseerden zo onaantrekkelijk mogelijk, zodat Miedema in tendens gelijk krijgt met zijn stelling dat alleen degenen die in een politieke baan zijn geïnteresseerd overblijven, en zelfs die niet in voldoende mate.
Maar dat is dan wel grotendeels de schuld van die partijen zelf en het zou van de gekke zijn om dit gedrag te belonen door nog meer overheidssubsidie, gebaseerd op het aantal kamerzetels. Als er al nog meer overheidssubsidie naar partijen zou moeten gaan -waarvan ik, gezien de wijze waarop partijen intern geld over de balk smijten in het geheel niet overtuigd ben- zou het verstandig zijn om die niet op kamerzetels, maar op ledental te baseren. Dat zou partijen tenminste een prikkel geven zich drukker om het werven en vasthouden van leden te maken.
Goed functionerende partijen zijn de beste leerschool voor de politiek, maar dat veronderstelt wel dat de burgers, of ze nu wel of niet partijlid worden, een behoorlijke basiskennis van het functioneren van politiek en openbaar bestuur hebben. De enige plaats waar iedereen die kan leren, is de school. Maar in de huidige basisvorming gebeurt dat niet - een veel wezenlijker probleem dan de problemen waarvoor steeds maar weer voorgestelde staatsrechtelijke veranderingen een antwoord op zouden kunnen vormen.
Nu moet men van onderwijs niet meer verwachten dan het beklijven van een zekere basiskennis - bijvoorbeeld dat mensen weten wat het verschil is tussen regering en Tweede Kamer. Politieke democratie kan daarnaast alleen maar floreren als het geen Fremdkörper is in een maatschappij die in alle andere sferen, die van arbeid, zorg, sport en studie, autoritair, hiërarchisch en niet-democratisch is ingericht. Dat is een thema dat in het debat over de problemen der democratie tot nu toe niet aan de orde is gekomen.
Een laatste thema dat in het debat over democratie te weinig aandacht krijgt is dat van de media, die de brug vormen tussen burger en politiek. Ook in serieuze kranten is parlementaire verslaggeving al twintig jaar geleden afgeschaft, zodat het voor geïnteresseerde burgers allang niet meer mogelijk is het politieke proces te volgen. In plaats daarvan wordt politiek in toenemende mate, in de eerste plaats op televisie, maar ook in de geschreven pers, gepresenteerd als een willekeurige opeenvolging van incidenten. Daarmee is de hedendaagse journalistiek zelf een van de fundamentele problemen van de democratie geworden, want zonder adequate informatie is ook de betrokken staatsburger blind en machteloos.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.