Het huis waar het gezin Grishaver lang na de oorlog woonde, had een grote, stenen stoep. ,,Als mijn moeder 's avonds op straat voetstappen hoorde en er werd gebeld, dacht ze, na al die jaren, dat het haar vader was. Die toch nog terugkeerde.'' Jacques Grishaver (58) is voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité. Hij groeide op met verhalen van familieleden die nooit terugkeerden.
Grishaver, nu sinds twee jaar voorzitter, maakt lange dagen. Vandaag is het 55 jaar geleden dat Auschwitz werd bevrijd en zondag organiseert het comité de jaarlijkse herdenking in het Wertheimpark en reünie in de Amsterdamse Rai. Tot diep in de nacht heeft hij aan zijn speech gesleuteld. De actualiteit, zoals de winst van extreem-rechts in Oostenrijk, vraagt daar om.
In zijn lichte woonkamer steekt Grishaver een sigaar op. Hij is geboren in 1942. De oorlog heeft hij overleefd door onder te duiken bij niet-joodse kennissen. Over de details praat hij niet. ,,Ik weet er ook eigenlijk niet meer dan enkele fragmenten van.'' Zijn ouders werden door het Joodse verzet uit de Hollandse Schouwburg gered. ,,Op mijn eerste verjaardag.''
Van de familie van zijn moeder is, zo bleek na de oorlog, vrijwel iedereen omgebracht. Binnen het gezin werd daar veel over gepraat. ,,Mijn moeder had vijf zusjes. De vader was natuurlijk een god voor hen. Door al haar verhalen was het alsof ik die mensen kende. De pijn, dat verschrikkelijke gemis van wie er niet meer zijn, is altijd gebleven. Dat beheerst je leven.'' Grishaver voelde zich als kind schuldig aan het verdriet van zijn moeder. ,,Zij kon er niets aan doen, maar ze zei wel eens dat, als ik er niet was geweest, ze met haar ouders mee naar Polen was gegaan. Dus als ik er niet was geweest, zo redeneerde ik in mijn kindergedachten, was deze pijn haar bespaard.''
De vader van Grishaver liet het gezin na de oorlog direct uit de administratie van de joodse gemeente schrappen. ,,Zodat we niet meer op een lijst stonden.'' Zijn ouders gingen zelden meer naar Sjoel. Wel hielden ze vast aan de rituelen op de vrijdagavond, voor Sabbat. ,,En met Simchat Tora (het feest der wet, red.) gingen we wel naar Sjoel. Met Pesach, het joodse paasfeest, hadden we matzes.'' Het gezin woonde na de oorlog in een buurt waar vrijwel geen joden waren. Jacques had alleen christelijke vriendjes. ,,Mijn moeder was heel vrij in haar opvattingen. 'Ga maar mee naar de zondagsschool', zei ze toen ik het haar vroeg, 'je leert er niks slechts'.''
In haar verhalen idealiseerde zijn moeder de joodse gemeenschap van voor de oorlog. ,,Maar dat zie je pas jaren later in, als je meer leest over die tijd. In haar verhalen waren de joden toen één grote familie, iedereen hielp elkaar. Terwijl dat natuurlijk niet altijd zo was.''
Anders dan anderen heeft Grishaver zich zelden gevoeld. ,,Pas toen we gingen schoolzemmen, ik was een jaar of vijf, vroeg ik mijn moeder waarom mijn piemeltje anders was. Tot die tijd hadden we er eigenlijk niet over gesproken dat ik een joods jongetje was. Het joods-zijn was er gewoon.'' Wel herinnert hij zich de kroning van Juliana in 1948. ,,We hadden de oorlog nog helemaal niet verwerkt. Alle kinderen uit de buurt ging naar de Dam, wij bleven thuis. Ik voelde me toen zó eenzaam. Alsof je er eigenlijk toch niet bij hoorde.''
Na de oorlog werd er soms nog wel 'gejood', vertelt Grishaver. ,,Mijn vader ging dan helemaal door het lint. Mijn moeder ging in 1949 met een kennis naar een bruiloft. De feestgangers begonnen een polonaise. Plotseling riep een ceremoniemeester: 'benen van de vloer, de joden zijn er nu toch niet meer'. In één hoek van de zaal werd het toen stil: de vrienden en vriendinnen van mijn moeder. Zij is weggegaan. Thuis vertelde ze ons alles.''
Tussen zijn twaalfde en zijn zeventiende (her)ontdekte Grishaver de joodse gemeenschap. Bij een oudere joodse vrouw in de buurt woonde een vriend, Simon. ,,Hij was alles kwijtgeraakt in de oorlog, kwam als wees terug. Mijn moeder bracht hem min of meer in ons gezin. Hij kwam vrijdagavond, we spraken steeds meer over het jodendom. We wilden liften naar Israël.'' Het is er nooit van gekomen. ,,Al heb ik in 1967, bij de zesdaagse oorlog nog wel getwijfeld of ik zou gaan.''
Grishaver schreef zich, tot verbazing van zijn ouders, in bij het orthodoxe NIK (Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap, red.) en ging weer regelmatig naar de synagoge. Na de hbs kon hij een studiebeurs krijgen om waterbouwkundig ingenieur te worden. ,,Maar ik wilde de wijde wereld in.'' Op aanraden van een kennis werd hij kapper op passagiersschepen. ,,Na een proeftijd in een salon aan de Keizersgracht heb ik een paar jaar de wereld rond gevaren. Leverde pakjes van joodse kennissen af bij joden in Australië.''
Terug in Nederland ontmoette hij Loes, met wie hij nu 35 jaar is getrouwd. Kort na hun huwelijk stortte hij in. ,,Van de ene op de andere dag is er iets bij me gebroken.'' Misschien, denkt hij achteraf, had het ermee te maken dat hij ineens een eigen gezin kreeg.
,,Dat is zo'n verantwoordelijkheid. Misschien besef ik wat echt waarde heeft: dat je elkaar hebt, lief bent voor elkaar.'' Na enkele jaren kwam Grishaver er weer bovenop, maar begin jaren tachtig werd hij weer enige tijd ziek. ,,Het gaat nu goed. Loes verdient een kroon op haar hoofd voor wat ze met me heeft meegemaakt.''
Grishaver was intussen actief geworden binnen de liberaal-joodse gemeenschap. Zijn moeder was een vaste bezoekster van de activiteiten van het Auschwitz Comité. Samen met zijn vrouw nam Grishaver deel aan een reis die door het comité was georganiseerd, en bezocht Polen. ,,Op een of andere manier wilde ik staan op dat perronnetje in Sobibor. De laatste momenten van mijn familie. Daar stonden ze. Drie uur later was iedereen dood.'' Grishaver sprak veel met medereizigers. ,,Je ontdekt zoveel gemeenschappelijks. Ik vond altijd al dat de herinnering levend moest blijven, nu merkte ik dat ik daar ook iets mee kon doen.''
Grishaver werd actief binnen het Auschwitz Comité. ,,Mijn moeder heeft mijn installatie als voorzitter net niet meegemaakt. Heel droevig. Ze was zo trots.'' Het comité kost hem dezer dagen zeventig tot tachtig uur per week. Ook de strijd om teruggave van joodse tegoeden en bijvoorbeeld een schadevergoeding voor ex-dwangarbeiders eisen zijn aandacht op. ,,Ik kan niet meer anders leven. Een roeping noem ik het niet, maar het is zo vreselijk belangrijk dat dit gebeurt.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.