Albert Mol (Amsterdam, 1917) maakte naam als danser, choreograaf, cabaretier, acteur en schrijver. Hij was jaren lang een vast en toonaangevend panellid van het spelprogramma Wie van de drie? Sinds enige jaren schrijft Mol columns voor de Gaykrant.
1. Gij zult de Heer uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten
,,'Godsdienst?' vroeg de verpleegster die het opname-formulier moest invullen. Ik zei: 'Rooms, maar ik doe er sinds mijn veertiende niets meer aan.' 'Juist,' zei ze, 'laten we dan maar 'niks' invullen.' Maar dat vond ik naar. Ik ben drieentachtig en die toestand met m'n rikketik... niet dat ik op de valreep bang werd voor de hel, maar het leek mij toch laf om nu ineens te beweren dat ik nergens in geloof. Bovendien is dat niet helemaal waar.''
,,Ik ben geboren in het Huis voor Gevallen Vrouwen. Noch mijn moeder, noch mijn tante -die voor mij zorgde als mijn moeder ging werken- was gelovig. Ze stuurden mij naar de School met de Bijbel. Protestants. Streng. Op maandag vroeg de onderwijzer altijd wat je de dag ervoor had gedaan. Op een keer zei ik: 'Ik ben met mijn moeder naar de bioscoop geweest, naar Charlie Chaplin.' Toen werd ik naar huis gestuurd om mijn zonden te overdenken. We woonden driehoog in de De Clercqstraat, hoek Da Costakade. Op tweehoog woonde mevrouw Westendorp -die was niks- en op één hoog woonde een katholiek gezin. Die mensen vonden dat ik 'mannelijke leiding' nodig had en naar een kostschool moest. Niet zo'n protestante kostschool waar ze kinderen met de plak sloegen en de muren kaal en wit waren, nee, een goede roomse school zou ideaal zijn voor een jongen zoals ik. 'Maar dat kind is niet rooms', zei mijn tante. Nou, dat was geen probleem. In twee weken tijd werd ik, in Willibrordus Buiten de Vesting, rooms gemaakt. Ik ging naar een internaat in Amersfoort, kreeg een dik messaal en mocht zingen in het koor. Ik raakte in de ban van Franciscus van Assisi en wilde al snel Franciscaan worden, het klooster in. Het liefst een Italiaanse vestiging natuurlijk. En dan op blote voeten door de heuvels van Toscane trekken. De rector zei dat ik eerst maar eens een paar jaar terug moest naar de stad. 'Als gij er dan nog zo over denkt', zei de rector, 'komt ge maar weer terug.' Maar gij is nooit meer terug gegaan. Gij werd een nicht. Ik begreep heel goed dat homoseksualiteit volgens de roomse leer niet in orde was en had geen zin om iedere week in de biechtstoel tegen de lieve man achter het gaas te zeggen dat ik het weer met een vent had gedaan. Bovendien had mijn moeder -toen ik het haar vertelde- gezegd dat het haar schuld was; ze had, toen ze zwanger was, een meisje willen hebben. Ze zei: 'En nu heb ik ze allebei.' Daar was de kous mee af.''
2. Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken
,,Eigenlijk moet je helemaal niet over God praten, laat staan zijn naam ijdel gebruiken. Ik heb een scherpe tong, maar ik zal nooit beginnen met schelden; ik kaats alleen maar scheldwoorden terug. Als een nette heer 'vieze nicht' naar mij riep, zei ik: 'Ik zou jou nog niet willen neuken met een krant over je kop.' Heel ordinair, precies op plek waar ik zo'n man het hardst kan raken. Ik noem de dingen bij de naam. Toen Koos Postema mij in Een Groot Uur U vroeg of ik homoseksueel was heb ik dat, recht in de camera, beaamd. Als ik dat toen niet had gedaan, was ik voor altijd een flapdrol geweest. Ik ben ze zo vaak tegengekomen: mannen die het zijn, maar dat voor zichzelf niet willen weten. Ik pik ze er onmiddellijk uit. Maar ik zal het nooit aan de grote klok hangen. Hoe 'bevrijd' we ook zijn: het blijft een delicate aangelegenheid.''
3. Gij zult de dag des Heren heiligen
,,Daar heb ik nooit bij stilgestaan. We deden op de dag des Heren twee voorstellingen - dan kun je dus moeilijk gaan zeiken over de zondagsrust. Maar afgezien daarvan: ik ben altijd een druk baasje geweest. Werk, feestjes: ik was de belle of the ball. Toen ik negenenveertig was, kwam 'Wat zien ik?' uit. Ineens had ik heel veel geld. Wim Sonneveld, mijn buurman op de Keizersgracht, zei: 'Je moet nu een huisje kopen voor je oude dag. Dan hoef je straks tenminste geen huur meer te betalen.' Ik had twee gaten in mijn handen en vond het wel een verstandig idee. Omdat ik geen type was voor het Gooi, Noord Holland mij op een of andere gekke manier te ver weg leek en ik in de buurt van Wassenaar nooit zou kunnen aarden, ben ik in de Achterhoek gaan zoeken. In de oorlog was ik er met mijn toenmalige, tweede vriend vaak geweest. Zijn ouders hadden een huis in het bos bij Warnsveld en de combinatie van bos en weiland had mij erg aangetrokken. Ik vond deze boerderij -met aan alle kanten een prachtig uitzicht- en besloot hem te kopen. Eerlijk gezegd heb ik jarenlang gedacht dat ik stapelgek was geweest om hier te gaan zitten. Ik durfde in het begin niet eens alleen te slapen. 's Nachts maakten de koeien allerlei enge geluiden. Ik ging 's avonds naar een hotel in Lochem en reed de volgende morgen vroeg weer terug naar huis. Inmiddels, meer dan dertig jaar later, kan ik mij haast niet meer voorstellen hoe het moet zijn om in de drukte van een grote stad te wonen. Alles went natuurlijk, maar ik moet zeggen dat ik de rust van het platteland nog altijd even weldadig vind.''
4. Eer uw vader en uw moeder
,,Het was 1916. Mijn moeder liep drie rondjes om het stadhuis, gaf mijn verwekker haar bruidsschat en zei toen dat hij op kon rotten. Ze had, bij nader inzien, helemaal geen trek in die man. Tot de dag waarop schoolkinderen 'Appie heeft geen vader!' riepen, had ik mij nog niet één keer afgevraagd waarom ik alleen een moeder had. Die avond vertelde ze dat mijn vader een veiligheidsspeld had ingeslikt. Het ding was in zijn maag open gesprongen en hij was op een akelige manier doodgegaan. Dat verhaal deed het goed op school. De kinderen vertelden het thuis aan hun ouders die zeiden: 'O, wat erg. Je moet maar heel aardig zijn voor Appie.' Jaren later, toen ik zelf al wist hoe de vork in de steel zat, verzon mijn moeder nog altijd allerlei vaders voor mij. Ik zat in de business en nam mijn moeder -als een goede nicht- mee naar ieder feestje en partijtje. Dan hoorde ik iemand vragen: 'En mevrouw, uw man?' Waarop mijn moeder antwoordde: 'Mijn man? Ja, mijn man was zeekapitein en hij is over boord geslagen tijdens een storm op de Atlantische Oceaan.' 'Wat vreselijk, hoe heeft u zich er doorheen geslagen?' 'Tja, zei ze dan, 'we hebben het niet makkelijk gehad, Appie en ik.' Dat was nummer één. Nummer twee: 'En mevrouw, uw man?' 'O, mijn man was kunstschilder. Hij heeft ons in de steek gelaten. Toen Appie zes was, is hij naar Parijs gegaan. Ze hebben hem onder de brug gevonden, hij had zich doodgezopen aan absint.' 'God, mevrouw, wat afschuwelijk!' Nummer drie heette Kees. Kees was beeldhouwer. 'Op een avond was hij zo dronken dat hij met een bijl al zijn beelden kapot heeft geslagen. Daarbij heeft hij ook z'n dijbeen geraakt. Daar is koudvuur bijgekomen en zo is hij overleden.' 'Maar mevrouw, wat verschrikkelijk...' We hebben er samen veel lol om gehad, maar die verhalen waren niet alleen om te lachen; haar situatie was in die tijd niet echt acceptabel en mijn moeder had geen zin om iedere keer verantwoording af te leggen.''
,,Ik heb nooit een vader gemist. Mijn moeder heeft ook wel eens gezegd: 'Het is maar goed dat ik niet met hem ben getrouwd want het feit dat jij zo bent had vast een hoop gedoe gegeven.''
,,In 1941 zei iemand tegen mij: 'Als jij wordt opgepakt, zul je nooit je vader hebben gezien. Daar zat wel wat in, vond ik. Ik wist waar hij woonde: op het Thorbeckeplein, drie hoog. Ik belde hem op en zei: 'U spreekt met uw zoon.' Hij antwoordde: 'Ik heb helemaal geen zoon.' 'Jawel,' zei ik, 'denkt u maar even aan juffrouw Mol. Voordat mij iets overkomt, wil ik u nog één keer zien.' Ik ging naar zijn huis en belde aan. Hij deed open. Ik keek hem aan en dacht: hij heeft dezelfde ogen, maar het is Kees niet, noch de schilder of de zeekapitein die over boord is geslagen. Laat ik het zo maar zeggen: ik vond er geen reet aan. Het bloed heeft niet gesproken. Ik heb hem nooit meer gezien. Ik weet niet eens wanneer hij is doodgegaan. Moet ik mij nu schamen? Ik heb negenenveertig jaar met mijn moeder geleefd. Zij heeft alles voor mij gedaan - wat moest ik met die man?''
,,Mijn moeder en ik hebben zoveel plezier gehad samen. Zelfs haar begrafenis werd een hilarische gebeurtenis. Het begon er mee dat ik bezoek kreeg van zo'n doodgraver, een rasechte Amsterdammer, die vermoedelijk enige borrels op had. Hij zei: 'Een eerste klas uitvaart is met koffie, broodjes en misschien nog een glaasje sherry. Bij de tweede klas valt de sherry weg en hebben we alleen maar koffie. En de derde klas is eigenlijk helemaal niks. Dan ga je thuis nog een borreltje drinken. U moet maar zo denken meneer Mol: weg is weg. U bent artiest, u zult het vast niet ruim hebben. Waarom zullen we nou veel kosten maken?' Ik zag daar een zekere logica in en koos voor die derde klas. Vervolgens ging ik naar het zaaltje in de P.C. Hooftstraat waar mijn moeder lag opgebaard. De zaalhouder zei: 'Welke muziek wilt u horen?' 'Bach,' zei ik. 'Goed,' zei die man, 'we hebben een organist die Bach voor u kan spelen, maar u zult hem tijdens de dienst niet zien.' 'Hoe bedoelt u?' 'Eh, tja de man is een albino -met twee van die rode ogen-- en omdat sommige mensen dat eng vinden hebben, we hem achter een gordijn neergezet.' Voor de rit naar de begraafplaats had ik twee auto's gehuurd. Ik had tegen de chauffeur van de voorste auto, waar mijn moeder in lag, gezegd dat hij langs de Stadsschouwburg moest rijden. Ze was er zo vaak met mij geweest, het was zo'n beetje haar tweede huis geworden. Maar wat doet die man? Hij rijdt tot voor de deur en blijft daar staan. Op een gegeven moment zie ik Henk van Ulsen naar buiten komen. Hij kijkt naar de krans waarop 'Dag lieve Miep' stond en ik zag hem denken: kennen wij een actrice die zo heet? We stonden er misschien twee minuten, maar het leek wel een uur te duren. Uiteindelijk kwamen we op de begraafplaats aan. Net toen ik iets wilde gaan zeggen, kwam mijn moeders beste vriendin -met wie ze ook altijd ruzie had- aangehold. Ze riep: 'Molletje, Molletje, Molletje!', zonk op haar knieën en gooide een bos oude gladiolen het graf in. Ik kon daarna geen woord meer uitbrengen. Het was zo'n rare vertoning, maar wel helemaal in mijn moeders stijl; ze zou er vreselijk om gelachen hebben.''
5. Gij zult niet doden
,,En wat nu als je verschrikkelijk lijdt en niet meer verder kan? Komt meneer Schutte van het GPV dan iedere avond aan de rand van het bed zitten om te zeggen 'Hou vol, hou vol' omdat hij persoonlijk van God heeft vernomen dat euthanasie niet mag? Ik heb de afgelopen tijd heel wat te verstouwen gehad. Toen ik dit jaar in het ziekenhuis terechtkwam, ben ik bang geweest om dood te gaan. Ik heb niet bewust gedacht: ik haal het niet, maar er zijn momenten geweest waarop ik iets uit mezelf weg voelde glippen. Dan kwam er een engel naast mij zitten -in de vorm van zo'n verpleger die in de regen moet demonstreren voor een heel klein beetje meer geld- die mijn hand vasthield en naar mij luisterde. Ik maakte mij zorgen over mijn vriend, mijn spulletjes. Ik ben een oude regelaar: wat gebeurt er als ik er niet meer ben? Zal het wel goed gaan? Huishoudelijke dingen. Over wat er met mij zou gebeuren dacht ik helemaal niet na. Ik heb wel eens gehoord dat je door een lange tunnel gaat. Zo ver ben ik nog niet gekomen. De boel was, wegens werkzaamheden, afgesloten. Ik ben een volhouder. Of, zoals de ene vriend de andere destijds troostte: 'Je hoeft je over Albert niet druk te maken, dat kreng gaat toch niet dood'.''
6. Gij zult geen onkuisheid doen
,,Hahaha.''
7. Gij zult niet stelen
,,Ik was een Amsterdams ratje, stal appeltjes bij de groenteman, zuidvruchten aan de haven. Het was een spel. Net zoals 'vadertje en moedertje' spelen, de meisjes insmeren met wagensmeer of elkaar nat gooien bij de waterpomp. In de zomervakantie kreeg ik een dubbeltje. Voor een cent kon je in de Schinkel zwemmen. Een dag naar Zandvoort, rood verbrand terug, gillend en schreeuwend om in de open tram te mogen. Een dag met de boot naar Alkmaar en een keer naar de Zuiderzee. Het klinkt niet alleen prachtig, het was echt een prachtige tijd. Jatten hoorde erbij. Het ging vanzelf weer over.''
8. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen
,,Of ik de VPRO-televisie-serie 'Bij ons in de Jordaan' nou een valse getuigenis moet noemen, weet ik niet, maar ik kon er in ieder geval niet naar kijken. Ik heb Johnny Jordaan gekend vanaf het moment waarop hij begon te zingen tot de dag waarop hij stierf. Waarom zou ik mijn netvlies in verwarring brengen? Kees Prins, hoe briljant hij ook is in Jiskefet, kon nooit Johnny Jordaan worden. Hij kon er hoogstens op lijken. Ik bewaar liever mijn eigen beeld. Als ik mijn ogen dichtdoe, zie ik de echte Johnny zo weer voor mij staan.''
9. Gij zult geen onkuisheid begeren
,,Kijk, als we het nu over trouw gaan hebben, dan zit ik goed. Mijn eerste verhouding duurde vijf jaar, de tweede twaalf, de derde ook twaalf en de laatste, met Guerdon, duurt nu al tweeëndertig jaar. Tijdens die eerste drie relaties ging ik nog wel eens vreemd, maar dat had niets met ontrouw te maken. Het was seks. Effe naar bed, het kittige jonge ding uithangen, klaarkomen, wassen, aankleden, taxi bellen en naar bed. Maar Guerdon nam er geen genoegen mee. Heel eenvoudig. Ik wilde ons huwelijk voor zoiets niet op het spel zetten en was vanaf die dag geen vlindertje meer.''
10. Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort
,,Veel geld verdienen is nooit mijn drijfveer geweest, maar ik kan nu wel eens naar de tv, dat klereding, kijken en me ergeren over het feit dat iedereen die weet dat Valkenburg in Limburg ligt -en niet in Oost Groningen- een miljoen kan verdienen. Dan denk ik: daar heb ik in mijn tijd harder voor moeten werken. Tegelijkertijd is het verleden -als je de schande van '40 -'45 niet meerekent- mij liever. Er was nog vakmanschap. Mijn eigen vak is met al die soaps gewoon verhoerd; het is alsof alles draait om geld en talent er helemaal niet meer toe doet. Ja, natuurlijk vind ik het ook wel eens moeilijk te verkroppen dat ik niet meer overal aan mee kan doen. Ik loop als een oude pinguin en als ik in de spiegel kijk, word ik niet vrolijk. We zijn toch allemaal zo ijdel als de pest? Ik vind het vervelend dat ik niet meer in mijn bikini op het strand kan lopen. Dat zal ik tot mijn dood toe vervelend blijven vinden. Maar het is heus niet zo dat ik daar de hele dag mee bezig ben. Ik hou er niet van om publiekelijk over mijn ongemak te klagen. Ik ben niet alleen. Ik heb een lieve vriend die goed voor mij zorgt. Ik loop nog heen en weer en ik maak nog ruzie. Af en toe komen er lieve vrienden op bezoek en ik ben nog altijd goed voor een leuk telefoongesprek. Het is de nazit van een geweldig feest. Zo, en nou heb ik weer genoeg geluld. De groeten.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.