Men hoeft niet lang na te denken over het woord 'slachtoffer' om in de gangbare betekenis daarvan een paar zeer merkwaardige trekjes te ontdekken. Het eerste is dat daarin tegelijk met een zeker mededogen een schijn van redelijkheid of althans verzoening aan de dag treedt. Elke dag lezen we over de slachtoffers van het verkeer of van het geweld ergens in de wereld en wij beseffen dan dat het onvermijdelijk is dat er mensen ten offer vallen aan een institituut of een gewoonte waarvan wij onmogelijk afstand kunnen doen.
Het verkeer is onmisbaar en het eist slachtoffers. Zo'n woord als 'eisen' klinkt alsof het verkeer een levend wezen is, een monster dat in ruil voor zijn nuttige functie aan ons een wrede schatting oplegt in de vorm van bloed en mensenlevens. Wanneer wij bereid zijn dat bloed te offeren, kunnen wij van de diensten van het monster gebruik blijven maken. Wij hebben ons eraan gewend het offer, onzinnig en overbodig of niet, te beschouwen als een prijs die wij moeten betalen voor een dienst die ons wordt bewezen, en daarin te berusten, wij beschouwen die absurde noodzaak zelfs als iets redelijks.
Die gedachtegang zou misschien ergens op slaan, als er op een of andere manier een redelijke en noodzakelijke verhouding zou bestaan tussen de prijs die wij betalen en de tegenprestatie die wij daarvoor ontvangen. Zodra wij intussen van 'offer' spreken, praten we niet in redelijke termen van een te berekenen prijs en zijn tegenwaarde, maar in puur magische categorieën en is er helemaal geen sprake meer van redelijke en berekenbare verhoudingen. Daar is bij het verkeer geen sprake van: het vaart op geen enkele manier wel bij de offers die het eist. Het woord 'offer' ofwel 'aanbod' suggereert bovendien een vrijwilligheid die misdadig zou zijn, als daar werkelijk sprake van zou zijn. Want wij zouden dan zelf de slachtoffers uitkiezen en aanbieden. En met het woord wordt aan het bloeddorstige monster een superioriteit toegekend, alsof het een soort van godheid zou zijn die aan ons eisen kan stellen, terwijl wij het daarentegen uit alle macht, met heel ons hart en heel ons verstand zouden moeten bestrijden. Met andere woorden: de hele gedachtegang die in dit woord tot uitdrukking komt, is, onder een schijn van redelijkheid, absurd en weerzinwekkend.
Een ander merkwaardig trekje in het gebruik van dit woord, en overigens ook in de aloude magische praktijk van het offer, is dat het vrijwel uitsluitend wordt gebruikt voor wezens die de dood vinden zonder schuld. Niet de bloeddorstige en gevreesde roofdieren werden aan de goden geofferd - die waren eerder het voorwerp van verering en vergoddelijking, zoals nu de auto -, maar onschuldige en nuttige huisdieren als runderen, varkens, lammeren en duiven. Het zal niet helemaal toevallig zijn dat het hier ook ging om dieren die voor menselijke consumptie geschikt werden geacht, dat het slachten en verbranden van het offerdier in een moeite door ging met het braden van vlees en dat het rituele offer werd gevolgd door een overvloedige maaltijd. Roofdieren werden niet geofferd omdat die niet geschikt geacht werden voor consumptie. Of gebeurde dat niet omdat we die liever kwijt zijn dan rijk en moet het offer altijd een pijnlijke aderlating zijn?
Hoe we deze kwestie ook bekijken: wanneer wij spreken over slachtoffers van het verkeer, van rampen of van het geweld, doen deze overwegingen niet ter zake. En ook dan hebben we het niet over de daders, maar over degenen die de dupe worden van hun activiteit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.