*

 
dossier

Archief

Verliezers onder elkaar

Lodewijk Dros − 11/02/00, 00:00

De landbouw verliest terrein. De kerk verliest terrein. Gisteren ontmoetten boerenpet en kardinaalshoed elkaar in Denekamp. De kerk heeft haar groei en haar sterke positie in het maatschappelijk leven deels aan de boerenstand te danken. Nu is de kerk vaak een van de laatste voorzieningen die een dorp nog heeft. Een werkgroep van het aartsbisdom Utrecht boog zich over boer en kerk.

Kardinaal mgr. dr. A. Simonis nam gisteren in boerderij Bosgoed in het Overijsselse Denekamp het rapport 'Kerk en Landbouw & Platteland' in ontvangst over de veranderde positie van de kerk op het platteland.

Het woord 'heiden' verwijst naar dat platteland, waar ooit, in de tijd van de kerstening van onze contreien, het steedse geloof maar geen ingang wilde vinden. Met vertraging ging de boer over tot het christelijk geloof, met vertraging doet hij nu mee met de secularisatie.

'De kerk heeft van oudsher op het platteland een vanzelfsprekende en dominante plaats gehad. Zij bepaalde, meer nog dan in de stadse samenleving, het leven. Het was de plaats van samenkomst, waar de dankbaarheid voor het leven, het voedsel, de aarde, de oogst, de kinderen, de priester- en kloosterroepingen die op het platteland talloos waren, werden gevierd.'

De kerk heeft de aansluiting met de agrarische achterban wat verloren en neemt het initiatief de band weer aan te halen. Maar: met wie? In haar rapport schetst ze de wereld van de plattelander. Zo'n half miljoen mensen is direct of indirect afhankelijk van de agrarische sector. Meer dan vier miljoen koeien, 85 miljoen kippen en een varken per Nederlander: het is dringen, hier. In het dichtbevolkte Nederland zijn spanningen ontstaan tussen verschillende functies van het platteland: economische productie en de toeristische sector willen beide de ruimte.

Door onder meer de liberalisering van de wereldhandel en veranderde eisen voor milieu en dierenwelzijn moet de boer van vroeger een 'modern, verantwoord agro-ondernemer' worden. Doorgaan op de oude voet is vaak geen reële optie.

Veertig procent van de bedrijven levert niet genoeg op om boven het sociaal gezinsminimum (¿ 25 000 netto) te komen, al is dat nog geen acute reden tot zorg: gemiddeld verdienen (partners van) veehouders, akker- en tuinbouwers er buiten hun bedrijf jaarlijks een sociaal minumum bij.

De boer staat onder druk, en de boer staat er vaak alleen voor. Acht van de tien boeren werkt zonder vast personeel in een gezinsbedrijf. Dat is niet alleen een economisch gegeven, maar vooral een manier van leven. Schaalvergroting is voor veel van de gezinsbedrijven nodig, andere kiezen voor specialisatie (zoals biologische landbouw) of voor bijvoorbeeld 'kamperen bij de boer'. De positie van de 'agrarische vrouw', zoals een boerin in beleidsjargon heet, wijzigt mee.

In Oost-Nederland komen veel kleine bedrijven voor; bedrijfsuitbreiding is er moeilijker dan elders en de investeringen voor dierenwelzijn en milieu zijn in de gemengde bedrijven nauwelijks rendabel te maken. Vooral de zandgebieden gaan bedrijven verliezen.

De landbouw heeft geen dominante stem meer in ons land. Zelfs op het platteland neemt hij nog geen derde deel van werkgelegenheid en inkomen voor zijn rekening. De kerk deelt in de landbouwmalaise. Had zij haar groei en sterke positie in het maatschappelijk leven deels aan de boerenstand te danken, met de teruggang ervan zijn die ondermijnd. Bovendien is het katholieke platteland zelf niet meer zo kerks. Katholieke Plattelandsjongeren zijn algemeen geworden; de K is verdwenen en dat geldt bepaald niet alleen voor de jeugd. De kerk is, stelt het rapport nuchter vast, niet relevant meer. Heroriëntering is nodig.

Zo solide als de analyse van de ontwikkeling van het platteland is, zo moeizaam is de worsteling die volgt in het tweede deel van het rapport, dat gaat over de rol die de kerk zou kunnen spelen. Het onvermijdelijke kerkelijke spreken over 'anonieme machten' als het om de vrije markt draait, gaat ook dit rapport niet voorbij.

Wat de kerk voor mogelijkheden ziet, ademt een sfeer van heimwee naar vroeger, naar dokter Angelino en kapelaan Odekerke. Men wil opnieuw mensen (niet alleen katholieken) bij elkaar brengen, voorbij de maakbaarheid der dingen, met aandacht voor het 'levende en vitale gevoel van afhankelijkheid' van aarde, lucht en water. Het geloofsgesprek moet weer op gang gebracht worden; 'al is de plattelander geen prater, het is wel een gelovige'.

Voor de hand ligt de roep om pastorale aandacht voor de plattelander die alle verandering nergens voor nodig vindt. Maar een geprofileerde bijdrage aan het ontwikkelen van zijn 'kracht en creativiteit' is dat nauwelijks te noemen. Het slotakkoord van het rapport is een oproep te komen tot een vernieuwd theologisch denken waarin moderne ontwikkelingen in economie, cultuur en geloof een plek krijgen. Wie Geert Maks 'Hoe God verdween uit Jorwerd' gelezen heeft, begrijpt die oproep.

De kardinaal ontving het rapport 'Kerk en Landbouw & Platteland' met warme woorden en vertrok westwaarts. Bij het lezen ervan zal de plattelander de pet nog 's over de oren trekken en even snuiven, als de kerk aankomt met 'een visioen over de stad van de mensen'.

mailIcon print |