*

 
dossier

Archief

Een subtiele grootmeester van de Nederlandse mystiek

Ton Crijnen − 09/12/00, 00:00

'Vloei samen in liefde en vreugde in de bedauwde naam van de allerzoetste Zoon, die met milde warmte van dauw door de Heilige Geest over de minnende geesten is uitgevloeid.'' Wie al in de aanhef van een brief dergelijk proza hanteert is niet de eerste de beste.

Dat was hij ook niet, de 14de eeuwse Vlaamse mysticus Jan van Ruusbroec (1293-1381), auteur van bovenvermeld citaat. Het vormt het begin van een schrijven (aan een Zwitser?) dat nu pas, door een Groninger, boven tafel is getild en dat mediëvisten tot grote opwinding brengt. 'De goddelijke doctor', zoals tijdgenoten hem al noemden, staat immers bekend als grootmeester van de Nederlandse mystiek.

De levensloop van deze 'Brusselaar' is gauw verteld. Als elfjarige van huis weggelopen kwam Van Ruusbroec inwonen bij zijn streng-vrome 'heeroom' Jan Hinckaert, kanunnik van de Brusselse St. Goedelekerk. Hier volgde hij vier jaar de Latijnse school. Over Ruusbroecs verdere opleiding is niets bekend. In elk geval werd hij in 1317 tot priester gewijd, kort na de dood van zijn moeder die hem naar Brussel was gevolgd. Daarna is hij, net als zijn oom, een kwart eeuw kannunnik geweest aan de St. Goedelekerk.

Het was de tijd van de Broeders en Zusters van de Vrije Geest, a-kerkelijken die een pantheïstisch spiritualisme predikten. Van hen deed in Brussel vooral ene Bloemardine van zich horen. Tegen haar schreef Ruusbroec zijn eerste traktaten. Niet in het Latijn, maar in het oud-Nederlands, opdat ontwikkelde leken het konden begrijpen. Die verhandelingen zijn verloren gegaan. Later, wel bewaard gebleven, werk draagt echter sporen van deze polemiek. Die kritiek werd hem niet altijd in dank afgenomen.

Misschien is dat wel de reden geweest waarom hij, zijn oom en diens geestelijke metgezel Vrank van Coudenberg op 16 april 1343 uit Brussel wegtrokken en hun intrek namen in het voormalige klooster Groenendaal in het Zoniënwoud. Daar leefden ze zeven jaar in strenge afzondering. Eerst als seculiere priesters, maar toen steeds meer mannen zich bij de religieuze gemeenschap aansloten ging men vrijwillig op in de orde van de reguliere kanunniken van Sint Augustinus. Van Ruusbroec werd prior.

In Groenendaal ontwikkelde hij zich tot een van de grootste mystici en schrijvers van geestelijk proza in het Nederlands taalgebied. Wandelend in de bossen rond het klooster schreef hij gedachten op die hem invielen. In 1360 werden ze samengevat in één enkele codex: 'Die cierheit der gheestelijke brulocht'. Daarnaast waren er beschouwingen over de eucharistie ('Een spieghel der ewigen salichheit') en 'Vanden twaalf beghinen' dat hij in zijn laatste levensjaren schreef. Ze hadden grote invloed op tijdgenoten als Geert Grote en de Johannes Tauler. Het werk verspreidde zich over Spanje, Frankrijk, Duitsland en Engeland.

Eveneens bekend zijn 'Vanden seven sloten' en 'Van seven trappen', gericht aan de Brusselse claris Margriete van Meerbeke. Enkele mediëvisten hebben gesuggereerd dat er tussen beiden het begin van een Abelard-Heloïse relatie bestond. In een traktaat waarschuwt Ruusbroec haar dat ze zich aan niemand met lust en begeerte mocht binden, ook niet aan haar biechtvader. Die biechtvader was hij.

Kort na zijn overlijden werd Jan van Ruusbroec zelf van pantheïsme beschuldigd, door niemand minder dan de grote Johannes Gerson, kanselier van de Parijse universiteit. Jan van Scoenhoven, een oudleerling van de Vlaming, wist deze aantijging overtuigend te weerleggen. Al dook ze drie eeuwen later onder Bossuet weer op.

Die hardnekkigheid is er ook wat betreft de stelling dat Ruusbroec een voorloper van de Reformatie is geweest. In werkelijkheid was hij een trouwe zoon van de moederkerk. Zijn dogmatisch werk getuigt er van.

Toen in 1783 de abdij van Groenendaal dicht moest bracht men de stoffelijke resten van Ruusbroec over naar de St. Goedele. Daar gingen ze ten tijde van de Franse Revolutie verloren.

Na langdurig getouwtrek keurde paus Pius X in 1908 een decreet goed waarbij de eeuwenoude volksdevotie rond Jan Ruusbroec kerkelijk werd erkend. Een erkenning die gelijk staat met een officiële zaligverklaring.

Net als de meeste Duitse mystieken begint Ruusbroec bij God en daalt via hem af naar de mens, om vervolgens weer op te stijgen naar God. Hij geeft daarmee aan dat de twee zó met elkaar verbonden zijn, dat ze één worden. Maar, zo haast hij zich er aan toe te voegen: ,,ze zijn één in liefde, niet in essentie en in natuur''. Ruusbroec benadrukt dat dit eenzijn met God een samengestelde werkelijkheid is die zowel activiteit als rust omvat. Hij wil hiermee zeggen dat de mysticus ook met beide voeten in de aardse werkelijkheid dient te staan. ,,Want wi moten woenen tusscen de minne Gods énde ons evenkerstens'' (medechristenen).

De kracht van Ruusbroecs mystieke werk ligt niet zozeer in de originaliteit ervan- er is weinig dat niet al eerder was opgemerkt- maar in de gevarieerde, stoutmoedige manier waarop hij zijn gedachten onder woorden brengt. Weinig andere West-Europese mystici voor en na hem zijn er in geslaagd het metafysieke van de mystiek zo trefzeker en toch ook zo subtiel onder woorden te brengen. En dat in een stijl die schoonheid paart aan eenvoud. Geen wonder dat zijn werk ruim zeshonderd jaar na dato nog steeds de aandacht trekt.

mailIcon print |