De verwachtingen binnen de kleine christelijke partijen GPV en RPF zijn hooggespannen: vérgaande samenwerking moet wel iets moois opleveren. De praktijk wijst uit dat wie samengaat een lange adem moet hebben. En: wie moet de politiek leider worden?
Vandaag zullen de ledenvergaderingen van GPV en RPF vrijwel zeker tot de vorming van een politieke unie besluiten. Als gevolg nemen zij met één lijst en program aan de volgende kamerverkiezingen deel en vormen zij daarna één fractie. Hun organisatorische zelfstandigheid geven Verbond en Federatie echter niet op. Een volledige fusie wordt niet uitgesloten, maar is met name binnen het GPV omstreden: politiek leider Schutte bijvoorbeeld ziet hier weinig in.
Bij de presentatie van de plannen in oktober 1999 waren de electorale verwachtingen hooggespannen. Zo voorzag GPV-voorzitter Cnossen drie à vier zetels extra voor de nieuwe combinatie. De kans is echter groot dat de unie niet brengt waarop wordt gehoopt -flinke toename van het zeteltal- maar uitloopt op wat sommigen vrezen: volledige fusie.
De electorale bonus waarop Cnossen hoopt zou bijna neerkomen op een verdubbeling van GPV en RPF, die nu samen vijf zetels in de Tweede Kamer bezetten. Een dergelijke winst lijkt er niet in te zitten: een opiniepeiling van het Nipo voorspelde deze week één extra zetel, grotendeels afkomstig van het CDA. Veel meer winst lijkt er niet in te zitten -vooral omdat het CDA in de oppositie zit.
Bij de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 1994 leed het CDA als regeringspartij een enorme nederlaag van twintig zetels. De RPF won toen twee zetels, waarvan er volgens verkiezingsonderzoek één van het CDA afkomstig was. Het GPV profiteerde geenszins en hield twee zetels. In 1998 ging het CDA opnieuw achteruit. Van de vijf zetels verlies werden GPV en RPF niets wijzer -zij behielden hun zeteltal. Was de aantrekkingskracht van GPV en RPF op teleurgestelde CDA-kiezers in 1994 dus gering, in 1998 was deze geheel verdwenen. Dit lijkt mede te wijten aan de oppositierol van de christen-democraten. In de jaren voor 1994 konden Verbond en Federatie het CDA bijvoorbeeld aanspreken op de tolerante abortus- en euthanasiewetten, waarvoor deze als regeringspartij medeverantwoordelijk was. In de oppositie nam het CDA de bescherming van het leven als thema over. Onlangs kantten de christen-democraten zich eveneens tegen de door het kabinet voorgestelde verruiming van de hierboven genoemde wetten. Zodoende is het voor GPV en RPF veel moeilijker geworden om zich in de kijker te spelen bij behoudende CDA-kiezers -en dat zal ook de komende jaren het geval zijn.
Het is mogelijk dat van het samengaan van GPV en RPF extra wervingskracht op onder anderen SGP-kiezers uitgaat, al duidt de genoemde opiniepeiling daar nog niet echt op. Daarbij moet worden opgemerkt dat er tegenover extra opbrengst wellicht een kostenpost staat: teleurgestelde leden of kiezers die van een unie niets willen weten, kunnen afhaken.
In de afgelopen decennia is een samengaan van partijen nooit onmiddellijk bekroond met een forse electorale bonus. Bij zijn debuut behaalde het CDA in 1977 0,6% extra, GroenLinks in 1989 0,8%. Bij deze partijen kwam de electorale winst pas jaren na de fusie, met aantrekkelijke lijsttrekkers als (1986 en 1989) en Rosenmoller (1998). Dit duidt erop dat het leiderschap van een nieuwe politieke combinatie niet veronachtzaamd mag worden. Over het lijstaanvoerderschap beslissen GPV en RPF echter pas in 2001.
De politieke unie van RPF en GPV is behoorlijk 'aangekleed'. Naast het gemeenschappelijk optreden bij verkiezingen krijgt de formatie een nieuwe naam, bestuur, congres, kernprogramma en grondslag. De bestaande partijbureaus, wetenschappelijke instituten en vormingsinstellingen worden samengevoegd. Zoals gezegd gaan GPV en RPF echter niet geheel samen: zij blijven als partijen bestaan en handhaven hun ledenbeleid.
In het uniemodel ligt volgens GPV en RPF in de toekomst de mogelijkheid tot doorgroei naar een fusie opgesloten, maar deze organisatorische samensmelting beschouwen zij niet als een automatisch gevolg. Deze terughoudendheid vloeit vooral voort uit de weerstand binnen het GPV om het toelatingsbeleid van leden uit handen te geven. Het Verbond heeft met name grote moeite om leden toe te laten die de belijdenisgeschriften (deels) niet onderschrijven -en die te vinden zijn in het evangelische deel van de ledenaanhang van de RPF.
Toch zal dit obstakel na verloop van tijd terzijde worden geschoven. De gemeenschappelijke lijst en fractie brengen een proces op gang met een eigen dynamiek, die uiteindelijk tot fusie zal leiden -dat leren de voorbeelden van GroenLinks en het CDA. Ook in de unie komt het politieke zwaartepunt bij de gezamenlijke Tweede-Kamerfractie te liggen. Dit orgaan krijgt in de publiciteit alle aandacht; GPV en RPF afzonderlijk zullen in de schaduw blijven. Hierdoor zal intern de vraag rijzen of hun afzonderlijk voortbestaan niet overbodig, zelfs nadelig is voor het imago van de nieuwe alliantie, die per slot van rekening de christelijke politiek wil versterken door de handen ineen te slaan. Daarbij komt ook dat het organisatorisch weinig doelmatig en financieel kostbaar is om de beide partijen die een substantieel deel van hun zeggenschap aan de unie-organen hebben gedelegeerd, voor lange tijd op de been te houden.
Het lijkt er aldus op dat de unie een vervolg krijgt waarvoor in het bijzonder binnen het GPV lang niet alle geesten rijp zijn: een gefuseerde partij waarvan (vrijgemaakt-)gereformeerden en evangelischen broederlijk lid zijn. Tegelijk zal de unie naar verwachting vooralsnog niet brengen waarop wordt gehoopt: flinke groei van het zeteltal. Opinieonderzoek bevestigen dit vooruitzicht. De ervaringen van het CDA en GroenLinks leren dat partijen van een samengaan als zodanig geen electorale wonderen mogen verwachten: in de hedendaagse gepersonaliseerde politiek komt het zoals gezegd ook op de lijsttrekker aan. De keuze van een lijstaanvoerder voor de unie is nog geen eenvoudige zaak.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.