*

 
dossier

Archief

Fusieschool beperkt keuze en overleg

G.Harkes en T.Janssens − 18/01/00, 00:00

In het voortgezet onderwijs is een nieuwe grote fusiegolf op komst. Die resulteert in één grote school per gemeente, met aparte gebouwen voor onder- en bovenbouw, en geen onderscheid meer in bijzonder en openbaar onderwijs. Maar is dit wel zo'n positieve ontwikkeling?

Als duizenden middelbare scholieren door de binnenstad van Den Haag trekken uit protest tegen het studiehuis, staat het voortgezet onderwijs volop in de belangstelling. Ook de Tweede Kamer is bezorgd. Maar er is nog veel meer aan de hand in het onderwijs. Want alles wijst erop dat, gedwongen door de bezuinigings- en decentralisatiedrift van de overheid, het voortgezet onderwijs steeds grootschaliger zal worden opgezet, met alle gevolgen vandien.

Het financieringssysteem voor het voortgezet onderwijs is de afgelopen jaren grondig gewijzigd. Een school voor voortgezet onderwijs krijgt jaarlijks een zak met geld en moet hiervan alles betalen: zowel personeelskosten als exploitatiekosten. Tegelijkertijd is de vorming van scholengemeenschappen gestimuleerd: waren er in Nederland in 1980 nog 2472 scholen voor voortgezet onderwijs, in 1998 waren dat er 648. Zat in 1990 nog slechts vijf procent van de leerlingen op brede scholengemeenschappen (waar alle vormen van voortgezet onderwijs worden aangeboden, van beroepsonderwijs tot gymnasium), vijf jaar later gold dat voor vijftig procent van alle leerlingen. Ook wordt de middelbare school steeds groter. Tussen 1991 en 1997 steeg het gemiddelde aantal leerlingen per school van zeshonderd naar 1280. Op brede scholengemeenschappen is het gemiddeld leerlingenaantal tweeduizend. Deze trend zet zich door. De invoering van het vmbo (samengaan van mavo en vbo) en de tweede fase in havo/vwo dwingen scholen tot samenwerking of samenvoeging, omdat anders niet voldaan kan worden aan de randvoorwaarden van de overheid.

Aan de orde is ook de bestuursvorm. De paarse regering zoekt naar een wettelijke formulering die het mogelijk maakt dat er op één school zowel bijzonder als openbaar onderwijs kan worden aangeboden. Het is inmiddels mogelijk dat een speciaal opgericht bestuur zowel openbare als bijzondere scholen onder zijn hoede heeft.

En dan is er de decentralisatie van de huisvesting van het basis- en voortgezet onderwijs. Alle gebouwen van die scholenzijn eigendom geworden van de gemeente. Die kan uit het gemeentefonds gelden beschikbaar stellen voor her- en nieuwbouw. De gemeente bepaalt steeds meer welke groepen leerlingen in welke gebouwen worden geplaatst. Bij terugloop of groei van een school heeft de gemeente veel invloed op de huisvesting in de nieuwe situatie.

Wat dit allemaal tot gevolg kan hebben zien we in de stad Deventer (83000 inwoners). Net als de meeste steden in Nederland heeft Deventer brede scholengemeenschappen. Die krijgen dan ook zowel te maken met de nieuwe vmbo-structuur als met de nieuwe tweede fase voor het havo/vwo. Er zijn in Deventer drie brede scholengemeenschappen: katholiek, protestants-christelijk en openbaar. Men is tot de conclusie gekomen dat er ingrijpend geherstructureerd dient te worden. Om de problemen niet steeds door te schuiven worden de drie scholen samengevoegd tot één school van zesduizend leerlingen. Dit is een landelijke trend: gemeentelijke (brede) scholengemeenschappen worden door de gemeente afgestoten en ondergebracht in een aparte, voor dat doel opgerichte, stichting. Het bestuur van de (te kleine) christelijke school is dan af van de noodzaak tot koude sanering en het bestuur van de katholieke school bestuurt de nieuwe school en omarmt het nieuwe potentieel docenten - in een tijd van docententekort een welkome aanvulling. Doordat de nieuw te vormen school onder het bijzonder onderwijs valt, is echter in Deventer het openbaar voortgezet onderwijs verdwenen.

De vraag dringt zich op of het maatschappelijk wenselijk is wat zich in het voortgezet onderwijs de komende jaren zal gaan afspelen. Scholen komen steeds meer onder de vleugels van grote, niet rechtstreeks te controleren, privaatrechtelijke stichtingen. Er komen steeds grotere scholen (één school voor voortgezet onderwijs in een plaats van 83000 inwoners als Deventer). Het gevaar van een logge, niet door concurrentie geprikkelde, organisatie ligt op de loer. Voor ouders en hun kinderen valt er dan niet veel te kiezen.

De landelijke politiek houdt zich in toenemende mate bezig met de be leidsuitvoering (zie het paniekvoetbal van de afgelopen weken over de tweede fase). Het zou de politiek sieren als ze zich ook bezighoudt met de ingrijpende structuurverandering van het voortgezet onderwijs die, gedwongen door de strakke financiële kaders van de centrale overheid, sluipenderwijs ingevoerd wordt. Het zou goed zijn om dit op de politieke agenda te plaatsen en de scholen meer de gelegenheid te geven hun zware maatschappelijke taak op een verantwoorde manier uit te voeren.

mailIcon print |