Mij moet iets van het hart. Ik loop er al maanden mee rond, want het is de vraag of wat mij verontrust aan de grote klok moet worden gehangen. Mijn zorg betreft het Landelijk dienstencentrum van de Sow-kerken te Utrecht. Bewijs ik de kerken die mij lief zijn er wel een dienst mee door die zorg wereldkundig te maken?
De kerk, opgevat als gemeenschap van gelovigen, ben ik met hart en ziel toegedaan. Ik ga veel in diensten voor, houd in het hele land spreekbeurten en probeer als voorzitter van de classis Amsterdam van de GKN het Sow-proces op classicaal niveau te versnellen.
In classicaal verband werken wij goed samen met hervormden en luthersen. We zijn goed op weg en weten elkaar steeds beter te vinden. De leden van de classis en van de classicale besturen zijn overwegend vrijwilligers met een enorme inzet, maar uitsluitend pro Deo. En ook de predikanten doen hun werk voor de classis als vrijwilligers, naast hun gemeentewerk. Zo hoort het ook; een kerk is geen bedrijf.
Financieel rooien we het door hutje bij mutje te leggen. De kerken houden het hoofd boven water door kerkgebouwen te verkopen en op predikantsplaatsen te bezuinigen. Toch zie ik veel geloofsmoed en nergens pessimisme. De eerste zegen van de ontmoetingen met die dappere vrijwilligers is voor mijzelf.
Maar de landelijke kerken steken alle energie in de bestuurbaarheid. Men lijkt te denken dat je met professionals beter af bent dan met vrijwilligers. In Utrecht is een landelijk dienstencentrum (LDC) neergezet dat het 'zenuwcentrum van de Sow-kerken' wordt genoemd. Alsof daar het hart van de kerk klopt en niet in de plaatselijke gemeente. Ik noem enkele verbijsterende ervaringen.
Op 1 december 1999 werd het LDC feestelijk geopend. Mijn vrouw en ik zaten bij hoge uitzondering overdag voor de tv. De beelden van de openingsceremonie gaven ons een sterk gevoel van vervreemding. Bijna tegelijk zeiden we tegen elkaar: Hoor ik daarbij? Is dat mijn kerk? Want wat gebeurde daar? Er vond een soort processie plaats door de gangen van het kennelijk uitgestrekte gebouw. Iemand liep met een dakpan rond en een ander met wat anders, maar zonder uitleg waar dat op sloeg was het niet te begrijpen. Op dat moment kwam onze zoon binnen die begon te grinniken en ons toevoegde: Is het met jullie al zover gekomen dat jullie midden op de dag naar zoiets zitten te kijken? Ik antwoordde: Dat is de opening van het LDC van de Sow-kerken in Utrecht, waarop hij reageerde met: Denken ze zo de jongeren weer in de kerk te krijgen? Niet te geloven.
Die opening, het was een miskleun, maar dat is het ergste niet. Erger is dat zij symptomatisch is voor de wereldvreemdheid van het kerkelijk denken in het LDC te Utrecht. Alsof je met dit pseudo-moderne gedoe hedendaagse gelovigen aanspreekt. Nog erger is het denken in termen van bestuurbaarheid. Men lijkt alles te verwachten van een centraal geleide kerkelijke bedrijfsvoering met als motto: wat goed is voor het LDC is goed voor de kerken. Dat zie je aan de arbeidsorganisatie. Aan de top van de organisatie staat een dienst algemene zaken. Daaronder zitten kerkopbouw, theologie en opleidingen (KTO), missionair en diaconaal werk en oecumenische relaties (MDO) en Facilitaire Zaken (FZ). Er is een dagelijks bestuur (DB) dat verantwoordelijk is voor de arbeidsorganisatie in haar geheel en er is een directie, bestaande uit een algemeen directeur AZ, en drie directeuren van de diensten KTO, MDO en FZ. Het komt mij voor dat dit is afgekeken van de bestuursstructuur van een Haags departement: een politiek verantwoordelijke minister (het DB) die samenwerkt met een secretaris generaal (de directeur AZ) met daaronder drie directeuren generaal (van KTO, MDO en FZ). Er zijn enkele honderden mensen in dienst, allemaal professionals. De vrijwilligers zijn met een lantaarntje te zoeken.
We zijn er nog niet. Vanuit dit 'Sow-zenuwcentrum' lopen allerlei draden naar de regio's. Men heeft maar liefst negen regionale dienstencentra (RDC's) ingesteld, terwijl ik altijd dacht dat Nederland in Europees verband niet veel meer dan één regio was. Die RDC's zijn weer de plaatselijke kerken van dienst. Als de plaatselijke kerken het niet meer weten, kunnen ze voor adviezen overal terecht. Maar in totaal tien dienstencentra voor een klein gebied als Nederland, is dat niet te veel van het goede?
De tegenstelling tussen de bestuurscultuur van de landelijke organisatie en de manier waarop een lokale kerk functioneert is treffend. In het LDC professionals, in de plaatselijke kerken vrijwilligers. In het LDC overvloed aan personeel en middelen, op plaatselijk niveau een steeds soberder wordende huishouding. In de verte doet mij dat denken aan het beleid van ABNAMRO: op de peperdure zuidas van Amsterdam een kapitaal hoofdkantoor neerzetten en kleine, onrendabele vestigingen sluiten. Maar wat goed is voor een bank is niet goed voor een kerk. Een kerk moet het hebben van lokale vestigingen, niet van een bestuursgebouw. En ook niet van professionals, maar van vrijwilligers.
Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat we een topzware, peperdure kerkelijke administratie hebben gekregen die vanuit Utrecht centraal de kerken aanstuurt. Zouden ze daar soms denken dat ze de kerk zijn? Er is in ieder geval een kapel en bij de opening daarvan werd gezegd dat je daar ook onder werktijd naar toe mag, want bidden is ook werken. Daar keek ik van op. Maar die kapel neemt het gebrek aan geestelijke bezieling niet weg. Alles draait om intern kerkelijke zaken als de naam, het tevreden houden van alle richtingen en het op peil houden van de inkomsten, alsof er in de samenleving geen belangrijkere problemen aan de orde zijn. Ik moet zeggen dat dit bedrijf met zijn door organisatieadviseurs bedachte bestuursstructuur en met zijn gebrek aan op de wereld gerichte theologie mij tegen de borst stuit. Moeten wij zó de eenentwintigste eeuw in?
Toch blijf ik lid van de kerk. Nu zij het moeilijk heeft laat ik haar niet in de steek. Ik blijf er niet bij om de organisatie, niet om dat maandelijkse bulletin Kerkinformatie met zijn zakelijke mededelingen en nietszeggende pr-praat. Ik blijf er bij om de mensen die zich op plaatselijke niveau inspannen om waarachtig gemeente te zijn. Om het met een groot woord te zeggen: ik blijf er bij om het evangelie; waar het evangelie wordt verkondigd is de ware vindplaats van God. Zolang in de gemeente God wordt geloofd in verkondiging, lied en gebed, is zij een onvervangbare bron van vreugde. Het landelijk bestuurlijk apparaat neem ik op de koop toe. Maar we zijn wel beter af met minder centralisme en minder professionals.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.