*

 
dossier

Archief

Einde verzuiling leidt tot nieuwe omroepwet

Peter van der Heiden − 05/02/00, 00:00

Minister Cals wilde al in 1955 een omroepbestel zoals dat nu door de Concessiewet van Van der Ploeg ontstaat. De omroepen konden dat 45 jaar tegenhouden. Maar nu de zuilen verleden tijd zijn, moeten de publieke omroepen terecht afstand doen van hun voorkeurspositie.

Het dreigement van de Vara om het publieke bestel te verlaten wanneer de Concessiewet door de Tweede Kamer zou worden aangenomen, kwam voor menigeen uit de lucht vallen. Onmiddellijk maakte enige paniek zich meester van politiek Den Haag. Dat juist de Vara, het prototype van de publieke omroep, dreigde Hilversum de rug toe te keren, kwam hard aan.

PvdA-fractievoorzitter Melkert haastte zich om te verklaren dat zijn fractie zijn uiterste best zou doen de voormalige socialistische omroep binnen het bestel te houden. In het Kamerdebat van eind januari bleek dat Melkert daar nogal alleen in stond. Het reddingsplan van de PvdA bestond uit niet meer dan het verlengen van de concessie voor de omroepverenigingen van vijf naar tien jaar, en zelfs dat voorstel ging weer van tafel. De Concessiewet is nauwelijks veranderd, de dreigementen van de Vara ten spijt.

Deze situatie is wel eens anders geweest. Zowel bij de experimentele invoering van de televisie in 1951 als bij de totstandkoming van het Televisiebesluit in 1955 hadden de omroepen de politiek in een ijzeren greep. Met name in 1955 bepaalden de omroepen achter de schermen, en dus democratisch oncontroleerbaar, het omroepbeleid. De toenmalige minister Cals stelde voor het televisiebestel in te richten op een wijze die sterke overeenkomsten vertoonde met de Concessiewet van staatssecretaris Van der Ploeg. De zendmachtiging zou - net als nu gebeurd is - uitsluitend naar de NTS - nu de opvolger NOS - gaan, die ook minimaal een kwart van de programma's zou gaan maken. De overige zendtijd zou verdeeld worden over de omroepverenigingen.

Cals had goede redenen om tot een dergelijk bestel te komen. De zendtijd was nog zeer beperkt, waardoor de weinige mensen die een tv hadden naar alle programma's keken, niet alleen naar die van hun eigen omroep. De televisieprogramma's dienden dus meer algemeen van aard te zijn, zodat iedereen er ook naar kón kijken zonder in gewetensnood te komen. Daarom diende de NTS een fors deel van de zendtijd als 'algemeen programma' uit te zenden.

De omroepen weigerden echter aan dit bestel mee te werken, en Cals haalde bakzeil. Hij stelde het bestel voor dat wij in grote lijnen tot op de dag van vandaag kennen, en dat met aangenomen Concessiewet voor het eerst daadwerkelijk veranderd wordt. En dan nog wel in de geest van Cals, met meer macht voor de NOS en minder autonomie voor de omroepen. Met één groot verschil: dit keer werd de beslissing daar genomen waar dat moet: in het parlement.

Hoe is dit opmerkelijke verschil in uitkomst van 1955 en 2000 te verklaren? Waarom konden in 1955 de omroepen de regering een dictaat opleggen, terwijl in 2000 zelfs het dreigement om het publieke bestel te verlaten min of meer schouderophalend wordt weggewuifd? We dienen te beseffen dat de omroepen decennialang niet enkel namens zichzelf, maar namens een geheel volksdeel spraken. Het huidige televisiebestel is een fossiel uit de hoogtijdagen van de verzuiling, waarin de Nederlandse samenleving keurig in op levensbeschouwing gebaseerde hokjes was opgedeeld. De verwevenheid van de geestverwante organisaties was enorm. De voorzitter van de NCRV was Kamerlid voor de ARP, bestuursleden van de KRO zaten namens de KVP in de Kamer, en de Vara-voorzitter was tegelijkertijd fractievoorzitter van de PvdA. Een dreigende omroep was dus tegelijkertijd een dreigende Tweede Kamer. Wanneer er met de omroepen geen zaken gedaan konden worden, was politieke steun in het parlement ondenkbaar.

Cals ging dus niet overstag voor de omroepen, maar voor een meerderheid in de Tweede Kamer. In tegenstelling tot de Vara nu hoefden de omroepen zich toen niet te bedienen van dreigementen. Een beroep op hun geestverwanten in de politiek was voldoende.

Deze situatie is duidelijk voorbij. Hoewel de omroepverenigingen de laatste min of meer florerende resten van de verzuiling zijn, is de greep van de allesomvattende levensbeschouwing verdwenen. De 'rode familie' bestaat niet meer, de reflexbeweging van Melkert appelleerde aan een niet meer bestaand sentiment. Hetzelfde geldt uiteraard voor de NCRV- en KRO-familie. De omroepen zijn weeskinderen geworden.

Met het toelaten van de Tros en later Veronica tot het omroepbestel werd al duidelijk dat de omroepen veel van hun macht hadden verloren. Toch bleef de positie van de 'oude' omroepen lange tijd principieel onaangetast. Het onder druk van Europa toelaten van commerciële zenders was een tweede deuk voor het bestaande bestel. Dat werd weliswaar uitgebreid, maar bleef binnen het publieke deel van het bestel principieel hetzelfde.

De Concessiewet, waarin niet langer de omroepverenigingen de dienst uitmaken maar de NOS, is de eerste echte aantasting van de positie van de omroepverenigingen. Een aantasting waar zij zich 45 jaar tegen hebben verzet, maar zich nu, bij gebrek aan politieke steun, bij moeten neerleggen. De Vara heeft het nog een keer op de oude vertrouwde wijze geprobeerd, maar heeft daarbij op harde wijze ondervonden dat de macht van de omroepverenigingen eindelijk gebroken is.

Gelukkig maar. De tijd dat de kijkers zich met een omroep identificeerden is voorbij. Natuurlijk zijn er nog altijd mensen lid van omroepen uit levensbeschouwelijke overtuiging, maar dat aantal lijkt fors af te nemen. De kijker zapt net zo gemakkelijk van KRO naar Vara als naar de commerciële of buitenlandse zenders.

Met het loslaten van de band tussen kijker en omroep, dient ook de positie van de omroepen te veranderen. Zij zijn een van de vele aanbieders in een veranderend medium. Terecht ligt de macht over het televisiebeleid weer waar die hoort: bij de politiek, en dus indirect bij de kiezers, die tegelijkertijd de kijkers zijn.

mailIcon print |