*

 
dossier

Archief

'Krijg ik tijdens een uitvoering geen kippenvel, dan is de avond verloren'

Peter Henk Steenhuis − 12/01/00, 00:00

Op zestienjarige leeftijd werd Jan Pasveer benoemd tot dirigent van de Drentse gemengde zangvereniging Soli Deo Gloria. Vijftig jaar later leidt hij zijn jubileumconcert.

,,Een leraar van het Coevordense gymnasium vertelde zijn klas eens over een vreemd schouwspel op de Rotterdamsche Bank. Zijn beurt afwachtend had hij de personeelsleden achter het loket bestudeerd, van wie er één, de jongste bediende, af en toe zijn stemvork tegen het bureaublad tikte, luisterde, en zich weer concentreerde op zijn werk: het dichtplakken van enveloppes met dagafschriften. De jongste bediende was ikzelf; het verhaal heb ik gehoord van een meisje dat later mijn vrouw is geworden.''

,,Wat de leraar niet kon bevroeden, was dat ik doelgericht mijn stemvork hief: als in de verte een fabriekshoorn klonk, moest ik even te weten komen welke noot de hoorn floot. Deze anekdote is voor mij altijd illustratief geweest: gedwongen door mijn vaders langdurige ziekte werd ik vanaf mijn vijftiende kostwinner. Maar het was zonneklaar waar mijn hart lag.''

Op de valreep van de twintigste eeuw herdacht Jan Pasveer zijn vijftigjarig dirigentschap. In de tijd dat de gymnasiumdocent hem met de stemvork in de weer zag, kreeg hij zijn eerste koor. ,,Dat was in Nieuwe Krim, waar ik voor de bank een klusje moest opknappen. Uit interesse in het orgel liep ik het kerkje van het plaatsje binnen. Men vertelde mij dat de zangvereniging zonder dirigent zat. Ik meldde mij voor de functie aan, hoewel ik nooit gedirigeerd had. Zo werd in 1949 een zestienjarige bankbediende benoemd tot dirigent van het gemengde koor Soli Deo Gloria. Ik kreeg er in de loop der tijd koren bij, en toen ik met dirigeren meer verdiende dan bij de bank, mocht ik van mijn ouders ontslag nemen.''

,,Een paar jaar daarvoor was ik via een turfschipper in aanraking gekomen met de muziek. Een neef van mijn vader had op zijn boot een schippersorgel. Hij wilde het harmonium verkopen, maar aangezien het varend lastig handelen is, werd het instrument bij ons gestald. Toen de eerste kopers zich meldden, waren mijn broer en ik echter zo verslingerd geraakt aan het instrument, dat van verkoop geen sprake meer kon zijn. Voor dertig gulden heeft mijn vader het orgel aangeschaft. Ik leerde snel en werd op mijn veertiende organist in het Drentse Oosterhesselen. En dus twee jaar later dirigent.''

In de daaropvolgende jaren studeerde Pasveer in zijn vrije tijd koordirectie en schoolmuziek bij Henri Geraedts, en later orkestdirectie bij Jaap Spaanderman en Jean Fournet. Voor het vorstelijke salaris van honderdvijftig gulden per jaar is hij in 1953 organist te Zaandam geworden. Om de opsomming enigszins compleet te maken: later werd hij benoemd tot directeur van de Zaanse muziekschool en nog weer later tot hoofdvakdocent koordirectie aan het Sweelinck-conservatorium in Amsterdam. ,,De bankbediende was een musicus geworden die voor het eerst een conservatorium van binnen zag toen hij er les ging geven.''

Nu, vijftig jaar nadat Pasveer zijn eerste koor dirigeerde, staat hij vooral bekend om zijn uitvoeringen van Bach. Niet helemaal ten onrechte, diens passionen en motetten liggen hem na aan het hart. Met het door hem opgerichte Zaans Cantatekoor voert hij sinds 1977 elke maand een Bachcantate uit. En in 1980 volgde hij Simon Jansen op als dirigent van het Amsterdamse Westerkerkkoor. Met dit koor zette hij de traditie voort van de maandelijkse Bach-cantatediensten in de Westerkerk.

,,Ik herinner me nog haarfijn de eerste 'Mattheüs Passion' die ik bijwoonde. De penningmeester van de Coevordense kamermuziekvereniging beloofde me een vrijkaartje als ik de uitnodigingen voor hun uitvoering zou schrijven. Dat deed ik. In Zwolle hoorde ik voor het eerst: ,,Wahrlich, dieser ist Gottes Sohn gewesen.'' Ik kreeg zo'n klap in het centrum van mijn wezen, dat ik van mijn stoel dacht te vallen.''

Door de partituur nauwkeurig te bestuderen is Pasveer enigszins gaan begrijpen waarom die drie maten hem zo raakten. ,,De uitspraak, die wordt gezongen na de dood van Christus, is een geloofsbelijdenis: ,,Wahrlich dieser ist Gottes Sohn gewesen. En die geloofsbelijdenis is gebaseerd op het heilige getal 3. Het stuk -ik spreek over drie maten van nog geen tien seconden- staat in vier mollen, maar Bach schrijft het in drie mollen en neemt de moeite om waar nodig een verlagingsteken te plaatsen. Bach heeft het stuk opzettelijk in drie mollen willen schrijven. Het fragment begint met drie bovenstemmen, die een dalende drieklank ten gehore brengen. Ook in de canon tussen de bassen en de sopranen is zo'n drieklank te horen.''

,,Nog mooier is dat de bassen in het totaal veertien noten zingen. En als je dan weet dat de naam Bach volgens het getallenalfabet 14 oplevert (B=2; A=1; C=3, H=8) zie je dat Bach deze geloofsbelijdenis met zijn eigen naam ondertekent. Ik zocht verder en ontdekte dat de drie maten in totaal 135 noten tellen, wat volgens het Duitse getallenalfabet duidt op 'Gottes Sohn'.''

Naar Pasveers stellige overtuiging moet de schokervaring van de veertienjarige jongen met deze getallensymboliek te maken hebben. ,,Stuitte ik bij Bach later op een fragment dat een vergelijkbare emotie veroorzaakte, dan ben ik altijd gaan tellen. En het gebeurde regelmatig dat ik op een of ander symbolisch getal uitkwam, al moet ik toegeven dat ik mezelf ook wel eens rijk rekende en me dus te buiten ging aan hinein-interpretatie.''

,,Er bestaat muzieksymboliek die je heel duidelijk hoort. Is er in de tekst sprake van verraad, dan gebruikt Bach bijvoorbeeld een verminderd septiem-akkoord waarmee je alle kanten op kunt. Als een personage geen poot heeft om op te staan, laat Bach een akkoord weg, waardoor het fundament wordt weggeslagen. Maar er bestaat ook ogenmuziek. In de 'Mattheüs Passion' bouwt Bach na de beroemde passage over de bliksem en de donder een volledige rust in. Daardoor zie je in de partituur een afgrond gapen. De angst voor de afgrond is precies de emotie passend bij die passage.''

Toch is het zeker niet zo dat Pasveer alleen maar Bach op het programma zette. Als dirigent van verschillende Oratoriumverenigingen in Haarlem, Zaandam, Leiden en Heemstede koos hij geregeld voor werken die niet eerder of zelden in Nederland waren uitgevoerd. Bijvoorbeeld 'Dona nobis pacem' van Vaughan Williams, 'Amarus' van Janacek, 'Jeanne d' Arc au bûcher' van Arthur Honneger of 'The Dream of Gerontius' van Edward William Elgar. ,,Ik voerde dergelijke premières vaak uit met oratoriumverenigingen die uit amateurzangers bestonden. Omdat men muziek van na 1920 al hypermodern vindt, vereiste moderne programmering nog meer inzet, nog meer enthousiasme. Soms hoorde ik mezelf de muziek prijzen, dan had ik het idee dat ik me aanstelde.''

Studeerde Pasveer met een oratoriumvereniging een half jaar op een stuk, met geprofessionaliseerde koren als het Westerkerkkoor en het Zaans Cantatekoor repeteert hij bijvoorbeeld Bachs 'Hohe Messe' slechts zes keer. ,,Zij kennen mijn voorkeur voor de moderne uitvoeringspraktijk, weten dat er in een partituur meer staat dan er staat.''

In samenwerking met het Bachorkest en het Cantate-orkest voert Pasveer zijn jubileumconcert dan ook met deze twee koren uit. ,,Tijdens een repetitie schijn ik me ooit te hebben laten ontvallen dat ik graag nog eens het 'Deutsches Requiem' van Brahms zou willen doen. Ik beschouw het als een cadeau van de musici om dit requiem, dat me al zo lang dierbaar is, nu te gaan uitvoeren.''

mailIcon print |