Zijn genetisch veranderde bintjes schadelijk voor het milieu? Of bieden ze juist voordelen? Voor- en tegenstanders discussieerden deze week op een symposium georganiseerd op initiatief van de Amerikaanse ambassadrice in Nederland, Cynthia P. Schneider, die een eind wil maken aan het Europees-Amerikaanse gebakkelei over Frankenstein-voedsel.
Halverwege de lezing van een vooraanstaand biotechnoloog, klimt de Amerikaanse ambassadrice zelf het podium op. ,,Kunt u uw verhaal staken?'', vraagt ze beschroomd. ,,Er is een bommelding. Geen paniek, we hebben vijftig minuten om de zaal te verlaten.
Na een halfuur wordt de bijeenkomst hervat. Ambassadrice Cynthia Schneider klimt nogmaals het podium op. Dit keer om uit te leggen dat het incident, waarschijnlijk veroorzaakt door een tegenstander van biotechnologie, haaks staat op haar bedoelingen. Zij wil agressieve polarisaties juist voorkómen, en in plaats daarvan een transatlantische dialoog op gang brengen over de voordelen en de risico's van de moderne biotechnologie. Daarom heeft ze zowel voor- als tegenstanders van de techniek uitgenodigd. En daarom heeft ze de sprekers met klem gevraagd om een opbouwend en positief betoog.
De ambassadrice staat zelf meer aan de kant van de voorstanders. Ze vreest dat de negatieve beeldvorming over biotechnologie vertragend werkt op het onderzoek en de introductie van nieuwe producten. Daarom betreurt ze het dat Europa en de Verenigde Staten met elkaar in de clinch liggen over de import van Amerikaanse, genetisch veranderde zaden. Terwijl biotechnologie zo veelbelovend is: het zal volgens de ambassadrice leiden tot een golf van nieuwe voedingsmiddelen en medicijnen, en bovendien het voedseltekort in ontwikkelingslanden helpen verminderen. Tijd om het weifelende publiek helderheid te verschaffen.
Maar die helderheid blijft uit. Op het congres fladderen alle mogelijke meningen rond. Wel lijkt zich een gematigde middenstroom af te tekenen, die vooral wordt vertegenwoordigd door de Mexicaanse ecoloog prof. dr. José Sarukhán. ,,Op zich heeft biotechnologie heel wat te bieden'', begint deze voorzichtig. ,,Je kunt versleutelde planten bijvoorbeeld laten groeien in onherbergzame gebieden waar op dit moment niets bloeit. Zo kun je de honger proberen tegen te gaan.''
,,Tegelijkertijd moeten we biotechnologie niet als panacee beschouwen'', vervolgt hij. ,,Het is maar een van de middelen om de akkerbouw te verbeteren, naast bijvoorbeeld het gebruik van mest en irrigatiesystemen. Bovendien weten we nauwelijks welke ecologische gevolgen de grootschalige toepassing van genetisch veranderde gewassen heeft. Er is gewoon te weinig onderzoek gedaan. Ik vind daarom dat we die gevolgen eerst goed moeten bestuderen: het voorzorgprincipe. Dat gaat vast te traag naar de smaak van de industrie, maar toch moet het op die manier.''
Surakhán toont geen alarmerende cijfers over de verwoestende gevolgen van biotechnologie. Want die cijfers zijn er niet, hetzij omdat het benodigde onderzoek niet is gedaan, hetzij omdat het gevaar niet bestaat. Wel is inmiddels duidelijk dat genetisch veranderde gewassen zo goed als geen nadelig effect hebben op de gezondheid van de mens. En mocht dat een enkele keer dreigen, dan wordt het gevaar dankzij verplichte controle-experimenten in de kiem gesmoord.
De vermeende ecologische risico's zijn het kernpunt in een recente woordenwisseling tussen minister Brinkhorst en Greenpeace. Ze verwijten elkaar dat ze er onvoldoende oog voor hebben. Maar beide partijen kampen in feite met hetzelfde probleem: hoe kun je rekening houden met iets wat nog nauwelijks is onderzocht, en wat op korte termijn ook niet te onderzoeken valt?
Volgens Sarukhán is er maar één oplossing: elk gewas apart kweken en jarenlang in de gaten houden. Hij pleit daarom voor de aanleg van kleinschalige proefvelden met genetisch verandere gewassen, waarvan tientallen jaren achtereen wordt geregistreerd of ergens in de voedselketens iets mis gaat. Pas daarna mag het sein 'veilig' worden gegeven.
Om deze vertragende aanpak te verdedigen schermen de tegenstanders van biotechnologie met een summier aantal onderzoeken waarin wél een schadelijk milieueffect van genetisch gemodificeerde organismen (GGO's) is aangetoond. Het meest aangehaald is een onderzoek dat eind vorig jaar werd gepubliceerd in het vakblad Science. Hieruit bleek dat larven van de monarchvlinder binnen vier dagen massaal stierven als ze uitsluitend bladeren te eten kregen die bedekt waren met een laagje stuifmeel van genetisch veranderde Bt-maïs. Deze maïs bevat een insekticide dat afkomstig is van de bacterie Bacillus thuringiensis. Het is bedoeld om de vraatzuchtige maïsboorder te doden.
Voorstanders van biotechnologie zien in dit onderzoek geen reden tot ongerustheid. Het was maar een studie in een laboratorium, zeggen ze. In werkelijkheid zouden larven de keuze hebben of ze bladeren met of zonder veranderd stuifmeel eten. Maar die keuze komt te vervallen als alle boeren op het nieuwe type maïs overstappen, waarschuwen critici op hun beurt.
Een ander gevaar is de mogelijkheid dat de genetisch toegevoegde resistentie tegen pesticiden en ongedierte overspringt op wilde planten. Zo zou een soort supergewas kunnen ontstaan, dat alle akkers en natuurgebieden overwoekert. Ook Sarukhán is hier bang voor. Laconiekere wetenschappers beweren echter dat een gen tegen pesticiden in de vrije natuur verloren gaat, omdat het daar geen evolutionair voordeel biedt. Uit Deens onderzoek, vorig jaar gepubliceerd in Molecular Ecology, blijkt weer het tegendeel: het gen voor het pesticide glufosinaat verspreidde zich wel degelijk in de natuur.
Op grond van dergelijke studies zou het onverantwoord zijn dat in Amerika inmiddels ruim 40 procent van alle verbouwde soja gemodificeerd is. Ook katoen, diverse granen, maïs en aardappelen zijn na een genetische facelift aan een grote opmars begonnen. Volgens Sarukhán moet de industrie nodig pas op de plaats maken.
John Pierce, onderzoekscoordinator bij de chemie- en biotechnologiegigant DuPont, voelt daar niets voor. ,,Waar komt die onrust ineens vandaan?'', vraagt hij zich getergd af. ,,Een paar jaar geleden hoorde je nog geen enkel bezwaar. Amerikanen, en ook Britten, kochten gewoon gemodificeerde tomaten en soja. Nu praat iedereen over ecologische gevaren. Welke gevaren? Die paar dode monarchvlinders? Weet je hoeveel monarchvlinders er sterven als de boer met zijn spuitkar over het land trekt? En hoeveel vlinders spatten niet kapot op autoruiten? Kom zeg, we moeten de zaken wel in perspectief zien.''
Bovendien hebben de boeren zelf om die reuzehandige gewassen gevraagd, zegt Pierce. ,,Alleen de consumenten zijn plotseling moeilijk gaan doen. Maar dat draait wel bij als ze het voordeel op hun bord merken. Nu kunnen we alleen maar wijzen op de milieuvoordelen van onze producten, en daar halen de meesten hun schouders over op.''
De cijfers geven inderdaad aan dat er in elk geval milieuvoordelen zijn. Door bijna een miljoen hectare te beplanten met genetisch veranderde Bt-katoen konden Amerikaanse boeren in 1998 volstaan met 450 duizend kilo minder bestrijdingsmiddelen dan het jaar daarvoor. De opbrengst steeg ook nog eens met 39 miljoen kilo.
De industrieel peinst er daarom niet over om de 'genetische revolutie' te vertragen. ,,We lopen heus niet te hard van stapel. In de Verenigde Staten doet ons bedrijf al twintig jaar veldproeven. Kijk, natuurlijk heb je nooit 100 procent zekerheid als je een nieuwe techniek hebt ontworpen. Maar gebruiken we hem niet, dan lopen we een hoop voordeel mis.'' Het is eigenlijk hetzelfde als met de mobiele telefoon, bedenkt Pierce ten slotte. ,,Die veroorzaakt misschien hersenschade, zeggen ze. Maar de eerste 25 jaar zullen we daar zeker niet achter komen. Moeten we hem daarom maar in de kast laten?''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.