Misschien kun je een sprong negenhoog van het Hilton vergelijken met parachutespringen, of bungeejumping als een vorm van de dood onder ogen zien, met dit kardinale verschil dat je met de parachute of het bungee-elastiek de dood als het ware met een euforisch gevoel voorbij kunt zweven, terwijl je bij een blote sprong hooguit de illusie kunt koesteren.
In het geval van Herman Brood zou je zelfs kunnen spreken van een hardnekkig volgehouden illusie, die past bij zijn grootspraak in het biografische boek Broodje gezond dat Bart Chabot schreef. Daarin beweert Brood dat gewoon overlijden voor hem niet hoeft: doodgaan is ouderwets en passé.
Overwegingen van deze aard rechtvaardigen de kop in Trouw dat Brood in stijl afscheid genomen heeft, waarmee natuurlijk bedoeld wordt in zijn stijl. Het is me echter te gortig om Broods fatale sprong te promoveren tot een heldendood, of om een lofzang aan te heffen op zijn lef, zoals velen deden. Ik begrijp het ook niet. Misschien is het ook alleen maar te begrijpen wanneer je Brood een idool noemt. Zelfs staatsecretaris Rick van der Ploeg sprak over hem als Neêrlands rockidool bij uitstek en voor de camera biechtte hij zelfs op dat Brood voor hem ook jarenlang een idool is geweest. Wat niet zo gek is voor een bewindsman die eraan gewend is om verslaggevers zittend in bad te woord te staan, soms zelfs samen in bad zittend.
Die idoolstatus lijkt Brood bij nadere beschouwing niet zozeer aan zijn muziek te danken te hebben. Dat was weliswaar voortreffelijke rockmuziek, hij kon ook prachtig pianospelen, maar idool was hij vooral vanwege het fenomeen-Brood, de buitensporige levensstijl die hij vertegenwoordigde. Brood was wat je noemt een levende legende, men sprak over hem, hij was een meester in de publiciteit. Hij kreeg voortdurend aandacht en als je je afvraagt wat mensen zo mateloos boeide, dan ligt de conclusie voor de hand: Brood veroorloofde zich een levensstijl, waaraan gewone burgers zich bij vlagen ook wel eens te buiten willen gaan, maar waar men meestal te schijterig voor is. Brood had echter overal schijt aan. Zijn legende werd instandgehouden door verhalen over vriendinnetjes, die hij in het Hilton afwerkte, zijn ongebruikelijke antwoorden, zijn ongelimiteerde vermogen om gewoon te doen wat in zijn kop opkwam en vooral ook door het lef om dwars tegen het gezonde verstand in met de daad stug vol te houden dat een mens zich rustig vol kan spuiten met drugs en drank.
Kortom, Brood lijkt niet alleen het bewijs te hebben geleverd dat een mens zich al bij zijn leven kan bevrijden van de vaak beklemmende zwaartekracht van de moraal, hij kan dit ook volhouden met een zelfgekozen dood. Is zo iemand een held, een idool, die in aanmerking komt voor onze aanbidding? En mag je in het verlengde daarvan spreken van een heldendood, omdat hij schijt leek te hebben aan de dood?
Met het euthanasiedebat nog vers in het geheugen zou je zelfs kunnen spreken van een ultieme vorm van zelfbeschikking. Brood leefde en stierf als een autonoom mens.
Toch vervult deze kijk op de zaak me met weerzin. Een mens leeft en sterft niet voor zichzelf alleen. Er is altijd sprake van verbondenheid met anderen en met de wereld om ons heen. Hoe heldhaftig is het om op deze manier afscheid te nemen van vrouw en kinderen?
Nee, ik denk dat de filmmaker Jan Eilander die een prachtige documentaire maakte over het fenomeen-Brood meer gelijk had. Hij veronderstelde dat Brood in de aanloop naar zijn fatale sprong echt desperaat moet zijn geweest. Van het Hilton suisde geen held naar beneden, maar een desperado, die iedere vorm van zwaartekracht was kwijtgeraakt. Op de plaats waar hij zijn doodsmak maakte, lieten rockers en fans de champagneflessen knallen en het bier schuimen. Maar dit feestgedruis vloekte met deze opperste wanhoop.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.