Aldith Hunkar (Paramaribo, 1962) begon haar loopbaan bij radio & tv achter een microfoon van een piratenzender in Limburg. Na verslaggeverswerk voor de Avro en de VPRO werd zij in 1994 het gezicht van het NOS Jeugd journaal. Op 1 september nam zij daar afscheid om bij het 'grote' Journaal als 'zelffilmende jour nalist' in dienst te treden. Zij beantwoordt de tien geboden zoals zij voor de katholieke kerk gelden.
1. Gij zult de Heer uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten
,,Eigenlijk heeft dat geloof mij altijd dwarsgezeten. Ik kwam er al snel achter dat ik niet kon geloven in de kerk, de priester, de hostie - hoewel ik die wel erg lekker vond - of de biecht. Ik vond het onecht, bedacht. Op mijn elfde wilde ik niet langer mee naar de kerk. Het had allemaal te weinig te maken met de universele kracht waarin ik geloofde. Ik kon het toen zo waarschijnlijk nog niet verwoorden, maar ik heb er nog altijd diezelfde gedachten over. Er gebeuren dingen buiten ons om. Ik ben in situaties verzeild geraakt waarvan ik op dat moment dacht: hoe kom ik hier ooit uit? Op een of andere manier neemt de natuur, de kosmos - of hoe je dat ook wilt noemen - de zaak dan over en komt het allemaal weer goed.
Een vriendin van mijn moeder heeft ooit gezegd dat ze door mij in reïncarnatie ging geloven omdat ik te vroeg te veel dingen wist. Ik moest 'hier' al eens eerder zijn geweest. Dat vind ik helemaal geen rare gedachte. Zo heb ik een heel bijzondere band met mijn kleine nichtje - nog voor zij werd geboren, had ik al contact met haar. Voordat zij het zelf in de gaten had, heb ik tegen mijn zus gezegd: je bent in verwachting. Ik had het in een flits gezien.
Kijk, ik geloof niet dat ik terugkom als een os of zoiets, maar ik kan mij toch ook niet voorstellen dat een mensenleven maar tachtig jaar meegaat. Het zou toch zonde zijn als het daarmee gebeurd zou zijn. Volgens mij zit het zo: je kijkt nu naar mijn omhulsel. Dat gaat dood, weg, zien we nooit meer terug. Maar mijn ziel, het wezenlijke in de mens, vormt met al die andere zieltjes samen de kracht die je dus God zou kunnen noemen - zolang je daarbij maar niet denkt aan die man met die witte baard. God is ook maar een woordje.'
2. Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken ,,Het is niet zo dat ik tierend door het leven ga - en als het anderen stoort, zal ik zeker temperen - maar verder heb ik met vloeken nooit veel moeite gehad. Ik erger mij eerder aan het biecht-principe; mensen die de hele dag doen wat ze willen en als het dan even tegenzit vragen of God hen alsjeblieft wil helpen. Dat klopt niet.'
3. Gij zult de dag des Heren heiligen ,,Daar ben ik helemaal voor. Waarom moet ik op zondag kunnen winkelen? Dat kan ik tegenwoordig elke dag tot acht uur 's avonds al. Ik wil op een vaste dag in de week incommunicado zijn. Dan wil ik niet gebeld worden, uitslapen, muziek luisteren, mijn haar wassen, het huis aan kant ruimen, een beetje aanmodderen en de baas zijn over mijn eigen tijd. Als ik op woensdag mijn rustdag houd, word ik nog gebeld voor de meest belachelijke verzoekjes omdat voor de meeste mensen op die dag alles doorgaat. Als ik op zondag niets doe, hoef ik niet bang te zijn dat ik dingen misloop omdat de boel dan overal, voor even, stil ligt.'
4. Eer uw vader en uw moeder
,,Mijn creatieve kant, mijn babbel, mijn gemakkelijke manier van omgaan met mensen, heb ik van mijn moeder. En van mijn vader heb ik de rechtlijnigheid, het ongeduld met anderen als zij zich niet gedragen zoals dat zou moeten. Maar het gekke is, omdat ik nog steeds een nauw contact met hen heb, weet ik niet precies meer welke eigenschap van wie komt; ze zijn een soort kluit geworden. Een kluit die ouders heet. Ik merk ook dat ik steeds meer op mijn ouders ga lijken. Als ik kinderen zou hebben, zou ik dezelfde principes en dezelfde normen en waarden - noem het maar zo, ik heb er geen beter woord voor - aan mijn kinderen willen overdragen.
Ik ben altijd een braaf kind geweest. Pas toen ik op mijn zeventiende, alleen, naar Nederland kwam, heb ik een wilde tijd gehad. Veel uitgaan, niet naar school. Mijn plichten verzaken. Hier gold de gevleugelde uitspraak: alles moet kunnen. Nederland, het land waar alles kan. Het was ook de tijd waarin ik moest uitzoeken wie ik was, wat ik wilde. Ik was al aan een speurtocht begonnen; had iedereen die ik van vroeger kende brieven gestuurd. Ik miste - doordat wij als gezin door mijn vaders werk als landbouwexpert nooit lang in één land bleven wonen - een identiteit, vond ik. Ik ben in Suriname geboren, daar liggen mijn roots. Ik ben uiteindelijk ook teruggegaan, maar ik was vooral een Westerling, met Nederlandse guldens, in Suriname op vakantie. Ik was een buitenstaander. En dat ben ik hier ook. Thuis is waar ik woon. In dit geval: mijn flat in Hilversum. Maar het had dus net zo goed een ander land kunnen zijn. Vroeger was mijn thuis daar waar ons gezin was. Dat was de vastigheid. Daardoor is de afhankelijkheid van mijn ouders ook altijd groot gebleven. Het is niet zo dat wij altijd alles samen deden, maar mijn moeder wist het wel gezellig te maken. Het was gewoon leuk om thuis te zijn.
De tijd waarin ik ging rebelleren, kwam op het moment waarop ik er genoeg van had om steeds maar te moeten verkassen als ik net een paar vriendinnen om mij heen had verzameld. Ik kwam hier aan en dacht: en nu ga ik alles doen waar ik zélf zin in heb.
Jaren later heb ik het met mijn vader nog eens over mijn wilde tijd gehad. Ik kwam er toen achter dat het nog altijd zijn grootste verdriet is dat zijn kinderen niet de universitaire opleiding hebben gevolgd die hij in gedachten had. Misschien voelde ik die teleurstelling toen ook al - we hadden niet voor niets minder contact.
Ik weet niet of ik nu nog zozeer dingen voor mijn ouders doe; mezelf tegenover hen wil bewijzen. Ik vind het wel leuk als ik hun kan vertellen dat ik iets voor elkaar heb gekregen. Als er nieuws is, of iets spannends gaat gebeuren, bel ik hen op. Ze zijn deelgenoot van mijn leven. Twee jaar geleden zijn we naar Suriname geweest. Mijn ouders, een zus en ik. Ze hebben mij voor het eerst dingen uit hun jeugd laten zien: daar woonden ze, daar gingen ze naar school. Er kwamen verhalen naar boven die ik nog nooit had gehoord. Toen ik terugging naar Nederland dacht ik: dit was zo bijzonder - nu kunnen ze alleen nog maar doodgaan. Beter wordt het niet meer. En dat was een vreselijke gedachte.'
5. Gij zult niet doden
,,Nee, jaren 'op het nieuws zitten' verandert mijn mening over moord- en doodslag niet. Ik vind het nog altijd even onbegrijpelijk. En hoe 'kleiner' het is, hoe meer het mij aangrijpt. Zo is het de afgelopen tijd nogal trendy geweest om meisjes in parken om het leven te brengen. Daar word ik echt, lichamelijk, ziek van. Hoe kan dat nou? Misschien ben ik wel naïef, maar hoe krijg je het voor elkaar om een ander te doden? Stel nu dat ik jou - ik krijg al de kriebels als ik eraan denk - zou moeten ombrengen; wat moet ik dan precies doen? Wat doe ik met mijn handen? Hoe haal ik zo'n trekker over? Goed, als ze ongevraagd, midden in de nacht, bij mijn bed staan, wordt het een ander verhaal. Ik zal, als ik word aangevallen, de ander proberen zoveel mogelijk pijn te doen. Veel pijn lijden lijkt mij een zwaardere straf dan een snelle dood. Maar onder gewone omstandigheden zul je mij niet zien slaan of schoppen. Ik ben niet agressief. Ik zal hooguit verbaal geweld gebruiken. In dat opzicht kan ik wel een killer zijn, al zal ik altijd een cleane strijd voeren. Je moet iemand pakken op de zwakheden van dat moment - niet nu iets registreren en daar over een paar jaar, via een omweg, op terugkomen. Ik word vooral fel als mij onrecht wordt aangedaan; als mensen die beter moeten weten er toch van uitgaan dat ik dingen over de ruggen van anderen probeer te bereiken. Iedereen die mij kent weet dat ik zo niet ben. De uitkomst van zo'n strijd kan best zijn dat een contact ophoudt te bestaan. Niet dat ik geen 'goedemorgen' meer zal zeggen, maar daar blijft het wel zo'n beetje bij.'
6. Gij zult geen onkuisheid doen
,,Het is mij vroeger wel geleerd wat onkuisheid betekende, maar ik heb nooit zo goed begrepen wat er nou precies mee werd bedoeld. Als het betekent dat ik tot het huwelijk maagd had moeten blijven, is het treurig met mij gesteld. Misschien had ik er iets later mee kunnen beginnen, maar ik zie eigenlijk niet in wat de kerk met mijn seksleven te maken heeft. Onkuis, onkuis... ik vind niet zo snel iets onkuis. Je moet niet aan kleine jongens en meisjes komen, niet aan wezens die niet in staat zijn om te zeggen wat zij er zelf van vinden. Poep en plas-seks? Moeten ze zelf weten. Als het maar niet voor mijn neus gebeurt. Ik wil het niet zien. Of ruiken. Maar verder... ik zou het niet weten.
Het klinkt misschien mal als ik het zo zeg, maar seks heeft wat mij betreft geen hoge prioriteit. Ook het hebben van 'een relatie' heeft nooit een belangrijke rol in mijn leven gespeeld. Ik heb nu een man die, op allerlei gebieden, heel goed bij mij past, maar stiekem denk ik wel eens: ben ik niet beter af zonder relatie? Ik ben erg gewend om alles zelf te bepalen: ik kijk vanavond naar Nederland 3 en ik eet boerenkool. Als je met z'n tweeën bent, moet je je toch afvragen of die ander niet liever naar de Tros kijkt of nasi eet. Zo af en toe steekt dat duiveltje de kop op. Als mijn vriend er niet is, denk ik: wat is-ie toch lief... en als hij er is, denk ik: ga wég! Hij herkent het duiveltje en heeft er geen moeite mee. Dat vind ik heel wonderlijk. Hij voelt zich er niet door bedreigd, integendeel. Blijkbaar heb ik iemand gevonden die mij laat zijn wie ik ben.'
7. Gij zult niet stelen
,,Nee. Maar ieder mens heeft wel eens gepikt, zo ook A. Hunkar. En dan wil je natuurlijk de vreselijke details horen? Het was een koekenpan, bij V & D. En het ging zo makkelijk dat ik de volgende dag ben teruggegaan om er nog een te jatten voor mijn vriendin. Het was diefstal uit barre nood; ik moest een pan hebben en ik had geen geld. Natuurlijk wist ik dat ik iets deed wat niet mocht, maar ik vond het vooral spannend om te doen. Het is een poging om de ander te slim af te zijn. Je zit boordevol adrenaline: word ik gepakt of niet? En als je dan met zo'n pan buiten staat, is er toch een gevoel van euforie. Daarna komt de schaamte pas. Stelen hoort - in de meeste gevallen - bij een zekere leeftijd. Pubers stelen. Maar als het goed is, gaan ze daar - net als ik - niet lang mee door. Uiteindelijk is het toch de opvoeding die ervoor zorgt dat je het wel uit je hoofd laat. Ik bedenk mij nu pas dat mijn ouders niet weten dat ik die pannen heb gejat. Toch blij dat ze deze krant niet lezen.'
8. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen
,,Ik vertel wel eens dat ik te laat op mijn werk ben omdat ik - nou, verzin maar een smoes - maar als het erop aankomt, ben ik eerlijk. Ik ben betrouwbaar. Ik kan daarom ook niet goed tegen het gesjoemel van anderen. Als je liegt, moet je het zo goed doen dat ik je er niet op kan pakken. Dan heb ik er wel weer bewondering voor. Maar ik ken niet veel mensen die echt goed kunnen liegen. Ik kan het helemaal niet. Ik ben een open boek, dat toch niet altijd goed gelezen wordt. Televisiekijkers denken dat ik altijd leuk en vriendelijk ben, terwijl sommige collega's het tegenovergestelde beweren. De waarheid zit er ergens tussenin, denk ik.'
9. Gij zult geen onkuisheid begeren
,,Waarom niet? Begeren mag toch? Je mag toch dingen willen? Je mag ook onkuise dingen willen. Willen is iets anders dan doen. In je hoofd mag alles. Gedachten zijn vrij, daar mag echt niemand aankomen. Dus als je erover wilt denken hoe het is om met een paard ehh... ja, dat mag. Zolang je het maar niet doet. Ik denk wel eens dat mensen door die nare programma's die je tegenwoordig op tv te zien krijgt, haast worden uitgenodigd om hun grenzen te verleggen. Ze horen anderen hun meest gore gedachten ventileren en denken dat het goed is om je zo te laten gaan. Het is zelfs leuk, kijk maar. En je wordt er nog beroemd mee ook!
Ik ben geen voorstander van censuur, maar ik geloof ook niet dat alles maar moet kunnen. Waarom reserveren we er geen apart kanaal voor? Als Pietje sluimerende gevoelens heeft, zal hij iets meer moeite moeten doen om de zender te vinden waarop anale seks met dieren voorkomt en ik blijf er in ieder geval van verschoond. Ik ben een zapper. Ik heb ook mijn rechten. Ik wens niet om tien uur 's avonds, op vijf verschillende zenders, met porno te worden geconfronteerd.'
10. Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort
,,Ik ben een meter negenenvijftig. Ik ben klein. Ik moet mij laten gelden. In de rest van de wereld valt het wel mee, maar toen ik hier kwam wonen bleek ik ineens een lilliputter te zijn. Klein, schuine streep, schattig. Want dat hoort erbij. Nou, zo schattig ben ik helemaal niet. Ik heb een enorme geldingsdrang, altijd al gehad. De hoogste cijfers. Het onderste uit de kan. Toen ik voor een klein radiostation in Achel werkte, wist ik bij wijze van spreken al dat ik op een dag in de Hilversumse studio's zou belanden. Ik wil dingen niet half doen, ik wil ze beter doen. Beter dan een ander, maar nooit ten koste van een ander. Niet omdat ik daar mijn medemens mee tekort zou doen, maar omdat het mijn eer te na is; omdat ik dan nog niet weet of ik het zelf wel onder de knie heb. Hoe dat komt? Tja, dat zal misschien toch iets met die strenge ouders te maken hebben. Ik ben, vergeleken met de jeugd van nu, streng opgevoed. Er waren duidelijke regels waar ik mij aan diende te houden. Ik was nooit zo'n held in het ondergaan van straffen, dus deed ik braaf wat er van mij werd verlangd. De strengste straf vond ik - ja, nu komt de aap uit de mouw - mijn ouders ongenoegen; dat zij niet blij met mij waren. Om hen niet teleur te stellen, deed ik steeds, in alles, zo goed mogelijk mijn best. Hun belangrijkste levensles was: benut je capaciteiten. Misschien ben ik daarin een beetje doorgeschoten, ja, daar zou je best gelijk in kunnen hebben. Ik zit mezelf wel eens in de weg, maar wil er beslist niet met een psychiater over gaan praten. Het is toch helemaal niet verkeerd om een paar problemen te hebben? Ik begrijp het ook nooit waarom zoveel mensen het vreselijk vinden om oud te worden. Veertig? Heerlijk. Ik blijf dingen ontdekken, fouten verbeteren. Bovendien heb ik het vermogen om van iedere nood een deugd te maken. Eerst erken ik mijn eigenaardigheden en vervolgens zal ik proberen die te veranderen - voorzover dat nodig is. Ik vind het helemaal niet erg om perfectionistisch te zijn, ik moet het alleen een beetje afzwakken. Het moet niet zo zijn dat ik gebukt ga onder minder dan perfect.
Nu kan ik mij bijvoorbeeld nog vreselijk druk maken als mijn bezoek onverhoopt om koffie vraagt. O, nee! Koffie. Ik kan helemaal geen koffie zetten! Is-ie niet te slap? Niet te sterk? Daar kan ik echt over tobben. Op een dag moet ik vieze koffie kunnen serveren en dat niet verschrikkelijk vinden. Dan zeg ik: 'Hier is de koffie. Ik heb geen idee of het lekker is. Zuip het op en als je het niet lust: jammer dan'.'
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.