Barbertje moet hangen en de hoge heren blijven buiten schot. Dat verwijten de advocaten van de ex-verkeersleider en -brandweercommandant van de vliegbasis Eindhoven het openbaar ministerie. Bij de afwikkeling van de ramp met de Hercules, waarbij in 1996 34 mensen omkwamen, wordt het duo dood door schuld ten laste gelegd. Zonder juridisch motief, zeggen beide raadslieden. ,,Puur voor-de-gek-houderij.''
Het openbaar ministerie zou de officieren vervolgen 'om de publieke opinie rustig te houden', stelt mr. M. Boekhorst. Volgens zijn confrère mr. H. van der Meijden zou dit kunnen zijn ingegeven door verwijten dat justitie er niet altijd alles aan doet om te vervolgen. ,,Het blijft gissen, maar na Srebrenica wil justitie kennelijk geen nieuwe blamage'', aldus Van der Meijden.
,,Onzin'', reageert een woordvoerder van het college van procureurs-generaal in Den Haag. ,,Er is geen aanleiding om de zaak te staken.''
De advocaten hopen dat de publieke opinie en de politiek justitie zullen bewegen de vervolging te staken. Van de luchtmachtstaf wordt verwacht dat die de disciplinaire maatregelen tegen de officieren terugdraait.
De advocaten baseren zich op een beslissing van het hof in Arnhem en op vier, in hun opdracht opgestelde, rapporten die gisteren in Nijkerk werden gepresenteerd. De verdediging zette deskundigen aan het werk, nadat de strafvervolging door werd gezet, ondanks het besluit van het hof af te zien van verdere vervolging van de basiscommandant. Bezwaren hiertegen werden door het hof verworpen met het argument dat niet individuen, maar overheden en de luchtmachttop verantwoordelijk zijn voor de dramatische afloop.
Het hof trok ook een belangrijke conclusie van de inspectie brandweerzorg en rampenbestrijding (IBR) in twijfel. Die stelde dat er wellicht minder doden waren gevallen als eerder reddend was opgetreden, in plaats van alleen te blussen. Twee van de vier deskundigen die door de advocaten zijn geraadpleegd, trekken nu dezelfde conclusie.
Zo noemt prof. dr. F. de Wolff het 'onwaarschijnlijk dat een snellere actie zou hebben geresulteerd in een groter aantal overlevenden'. Drs. F. Vos, brandweerdeskundige stelt dat als reddingswerkers eerder het vliegtuig binnen zouden zijn gegaan, er door een andere luchtstroom mogelijk brand zou zijn ontstaan, met nog meer doden als gevolg. Vos kwalificeert de reddingsoperatie aldus: werkers moesten ongeoefend en met ontoereikend materiaal aan de slag.
Het IBR-rapport schetst een onjuist beeld. Volgens Vos zijn foto's selectief gebruikt en gegevens verkeerd geïnterpreteerd. Zo was sprake van metaalbrand (vuur zonder rook), die niet is onderkend. Dat daar sprake van was, ontdekte Vos door met een loupe een foto te bestuderen.
Twee andere rapporten bevestigen de opvatting van het Arnhemse hof dat de afloop te verwijten valt aan een op alle fronten 'falende organisatie', aldus prof. dr. J. de Boer, emeritus-hoogleraar rampengeneeskunde.
Nu de basiscommandant niet wordt vervolgd en is aangetoond dat de aanklacht tegen de andere twee officieren is gebaseerd op een 'volstrekt ondeugdelijk IBR-rapport', moet de zaak worden geseponeerd, vinden de raadslieden.
De nieuwe rapporten hebben zij ter beschikking gesteld aan onder meer de parlementaire werkgroep die onder leiding van CDA'er H. Hillen onderzoekt welke vragen rond de ramp nog niet zijn beantwoord en aan de nabestaanden.
In die kring hebben de rapporten 'nog meer onzekerheid teweeggebracht', aldus A. Kempen van de stichting Herculesramp 1996. De stichting vindt dat de vervolging moet doorgaan en beraadt zich op mogelijkheden ook de autoriteiten die hebben gefaald juridisch aan te pakken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.