*

 
dossier

Archief

Waterbeleid 21ste eeuw onbenullig voorbereid

W.F.T. van Ellen − 14/12/00, 00:00

Overloopgebieden vormen na 2050 geen betrouwbare oplossing meer voor de te verwachten watermassa's. Er is op termijn gewoon te weinig ruimte in Nederland. En dat is lang niet het enige waar het rapport Waterbeleid 21ste eeuw ten onrechte aan voorbijgaat.

Als het kabinet zich morgen buigt over het waterbeleid van de 21ste eeuw moet het zich om te beginnen realiseren dat het een fictie is om het beleid voor de komende honderd jaar vast te stellen. Die ambitie is er in het verleden nooit geweest en het is bij zoveel onzekerheden misleidend te pretenderen dat dit nu wel mogelijk zou zijn. De commissie-Tielrooij, die een rapport heeft uitbracht over het waterbeleid van de 21ste eeuw, had dat onmiddellijk duidelijk moeten maken.

Nederland kent problemen van te veel en te weinig water. Op het punt van 'te veel' schiet het rapport tekort in het onderscheid tussen de gevolgen van hoge rivierafvoeren en van hoogwater door directe regenval; het brengt de mogelijke maatregelen daartegen zoveel mogelijk onder één noemer en dit leidt tot oversimplificatie en onderschatting van sommige problemen.

Na de hoogwater-rampen van 1993 en 1995 denkt men dat ineens alles anders zou moeten. Te gemakkelijk wordt gezegd dat er een omslag in ons denken over water zou moeten komen. Dat mag allemaal waar zijn, maar tot nu toe ontbreekt de onderbouwing van deze stelling. Het rationele denken over water heeft plaatsgemaakt voor een emotionele benadering. Dat bemoeilijkt een zakelijke discussie. De commissie doet mee aan deze trend en, omdat aan het rapport uiteraard waarde wordt toegekend, versterkt dit het door emotie gestuurde denken. De commissie aanvaardt kritiekloos bestaande denkbeelden over ruimte voor de rivier en verhoging van dijken.

Het is de laatste jaren om onduidelijke reden gebruikelijk om te zeggen dat we meer ruimte voor de rivier nodig hebben. De term 'ruimte voor de rivier' wordt daarbij in horizontale zin opgevat: de rivier moet een deel van het water over een groter gebied kunnen spreiden. Deze strategie wordt dan ten onrechte als 'duurzaam' aangeduid. Het Rapport Tielrooij berekent dat tot het jaar 2050 jaarlijks ongeveer 2000 hectare extra ruimte als berging nodig is. De commissie-Tielrooij zal echter toch wel willen aannemen dat eventuele klimaatveranderingen niet stoppen in het jaar 2050. Extrapoleert men de extra ruimte die jaarlijks nodig zou zijn, dan wordt al snel duidelijk dat mettertijd het gehele daarvoor bruikbare deel van ons land bergingsgebied is geworden; wat moet er dan eigenlijk nog beschermd worden?

De ruimte voor de rivier moet gevonden worden in verticale zin, door middel van het graven van extra stroomgeulen. Dit impliceert dat de ruimte primair gezocht moet worden tussen de bandijken en niet daarbuiten. Tussen de bandijken is nog een grote mate van afvoercapaciteit aanwezig. Door in de uiterwaarden parallel aan het huidige zomerbed een extra geul van voldoende afmetingen te graven, die slechts bij hoge waterstanden meedoet aan de afvoer, kan veel extra capaciteit ontstaan. Zo kunnen we nog eeuwen vooruit, ook bij mogelijke klimaatveranderingen.

Dijkverhogingen is een taboe geworden, terwijl nota bene ons land voor een groot deel bestaat bij de gratie van het bouwen en zo nodig aanpassen van dijken. Als argument tegen nieuwe dijkverhogingen wordt aangevoerd dat daardoor het risico van overstromingen te hoog zou worden: als ze doorbreken zijn de gevolgen ernstiger dan ooit. Hier zijn twee dingen tegenin te brengen. In ons land, waar autosnelwegen en een HSL-lijn worden aangelegd over de slappe ondergrond in het westen, is Rijkswaterstaat heus wel in staat om dijken aan te leggen die in staat zijn om hoge standen te keren en om daarin gedeeltes op te nemen die op een gecontroleerde wijze overstromen als onvoorzien hoge standen zouden optreden; doorbraak is zo een aanvaardbaar risico. In de tweede plaats betekent het controleren van eventuele overstroming van de dijk dat door passende maatregelen de schade beperkt kan blijven, bijvoorbeeld door een stelsel van secondaire dijken, bijvoorbeeld weglichamen. Ze zorgen ervoor dat bij een gecontroleerde overstroming in eerste instantie slechts een beperkt gebied overlast zal ondervinden.

De commissie-Tielrooij blijft hameren op de zogenaamde gevaren van dijkverhogingen. Bovendien gaat zij er geheel aan voorbij dat die eenvoudig onvermijdelijk zijn. Zolang het westen van het land blijft zakken en de zeespiegel blijft stijgen zullen de dijken in het deltagebied regelmatig verhoogd moeten worden. De commissie heeft de bijzondere positie van het westen van ons land niet onderkend en toch is dat het gebied waar in de komende decennia de grote gevaren liggen, met of zonder klimaatveranderingen.

De commissie denkt luchthartig over bergingsgebieden voor de tijdelijke opvang van directe regenval. Ze zegt dat in de loop der jaren steeds meer bergingscapaciteit ten offer is gevallen aan woningen, industriegebieden, infrastructuur en land- en tuinbouw. Dat deze tendensen aan banden worden gelegd is zeer terecht. Maar bij bergingsgebieden horen adequate systemen voor de aan- en afvoer van water en de bemalingscapaciteit. Zonder goede aanvoerleidingen bestaat het gevaar van ongewenste overstromingen onderweg. Voorts is een systeem van afvoerkanalen met bemalingscapaciteit, uitslaand op het buitenwater, onontbeerlijk.

Het rapport-Tielrooij schiet op zeer essentiële punten tekort en het zou zeer te betreuren zijn als dit rapport de leidraad zou gaan vormen voor het waterbeleid voor de komende jaren.

mailIcon print |