*

 
dossier

Archief

De basis blijft smal, de top dus kwetsbaar

John Graat − 21/04/01, 00:00

AMSTERDAM - De scheidslijnen in de topsport zijn dun. Veel is afhankelijk van toeval en, natuurlijk, geld. In 1995 werd bekend dat Novell stopte met de sponsoring van de wielerploeg van Jan Raas. Een nieuwe geldschieter was nog niet in beeld.

Egon van Kessel belde destijds 'half Europa' op om bij ploegen te informeren of ze misschien interesse hadden in Michael Boogerd en Erik Dekker. ,,Niemand wilde ze hebben. Als later dat jaar de Rabobank niet erin was gestapt, was Boogerd nu waarschijnlijk technisch tekenaar geweest'', zegt Van Kessel, al jaren de vertrouwensman van Boogerd, morgen de te kloppen man in de Ardense klassieker Luik-Bastenaken-Luik.

Van Kessel was tussen 1989 en 1993 juniorenbondscoach bij de Nederlandse wielrenunie (KNWU). Hij begeleidde toen de nationale selectie waarin de generatie renners zat die momenteel oude glorietijden van het Nederlandse wielrennen doet herleven. Michael Boogerd durfde deze week de stelling aan dat deze lichting renners succesvoller is dan de generatie van Theunisse, Rooks en Maassen. Hij baseerde zich op de wereldbekeroverwinningen en Tour-ritzeges van Leon van Bon, Erik Dekker, Servais Knaven en die van hemzelf.

Volgens Van Kessel heeft deze generatie nog net op tijd een goede opleiding genoten. Destijds werkte de KNWU nog met een nationale junioren- en amateurselectie, geleid door Van Kessel en Piet Kuijs. In 1993 werd de amateurselectie echter opgedoekt door Kuijs' opvolger Piet Hoekstra, waardoor in de ogen van Van Kessel veel talent is verbrast.

Hij noemt Johan Bruinsma, Wally Buurstede en Tom Nijkamp. Het waren wereldtoppers bij de junioren maar ze kwamen als amateur in het verdomhoekje bij amateurploegen met veel beperktere programma's. De mannen die als jong amateur in handen kwamen van 'TVM-hofleverancier' Egbert Koersen -Blijlevens, Knaven, Hoffman- hadden geluk. Ze kregen wel een vervolgopleiding en stootten later door.

Peilloos diep was het dal waarin het Nederlandse wielrennen medio jaren negentig verkeerde. Op de wereldranglijsten uit die tijd kom je geen enkele landgenoot bij de beste vijftig tegen. In 1996 moest de jonge Jeroen Blijlevens met de zeventigste stek de eer hooghouden. Wereldbekerzeges bleven tussen 1991 en 1998 uit.

Niemand in het wereldje durft het hardop te zeggen, maar tussen 1993 en 1996 verloren de Nederlanders de aansluiting doordat men vooral in Italiaanse, Franse en Spaanse ploegen met het wondermiddel epo gevaarlijk ver ging. Daar werd de dikte van het bloed kunstmatig opgepompt tot soms akelige hoogten, hematocrietcontroles (pas in 1997 ingevoerd) waren er nog niet.

Een renner als Eddy Bouwmans lijkt daar een slachtoffer van. In 1992 werd hij als debutant veertiende in de Tour, in de jaren daarna zag hij laagvliegers van weleer plots met een groot verzet bergop voorbij flitsen. Bouwmans heeft altijd doping geweigerd. Hij haakte drie jaar geleden af en werkt nu, 33 jaar oud, in de keukenbouw. Diverse goede renners besloten medio jaren negentig op relatief jonge leeftijd hun fiets op te bergen. Maassen, Theunisse, Van Poppel en Breukink waren pas vooraan in de dertig toen ze afzwaaiden, terwijl juist in die periode veteranen van hun leeftijd de macht grepen.

Meewarig werd toen neergekeken op neoprofs als Boogerd, Dekker, Knaven en Van Bon. Peter Post leverde harde kritiek. De jonge garde zou de juiste mentaliteit missen. Ze hadden volgens hem 'een te klein motortje'. Honend sprak men van de 'patatgeneratie'.

Van Kessel: ,,De geschiedenis heeft geleerd dat Nederlandse renners langer tijd nodig hebben om te rijpen dan jongens uit Zuid-Europese landen. Die staan er als ze twintig zijn omdat ze in hun jonge jaren veel meer weerstand opbouwen. In Nederland is de competitie beperkter. Dus legden wij in de coaching ook altijd de nadruk op hun ontwikkeling op mentaal gebied.''

Het heeft zijn vruchten afgeworpen. Boogerd en Dekker horen met de bijeen gesprokkelde UCI-punten nu tot de beste elf renners van de wereld, ook Van Bon en Knaven staan in de top-50. Allemaal schreven ze een wereldbekerwedstrijd op hun naam. Het kwartet is goed voor zes etappe-overwinningen in de Tour.

In de Waalse Pijl, de generale voor Luik-Bastenaken-Luik, bleek woensdag wat momenteel de status van de Rabobank is in het peloton. Alle favorieten vonden dat de sterkste formatie van dit voorjaar de kastanjes maar uit het vuur moest halen. Zo legden ze de druk bij Boogerd, die daar knap chagrijnig van werd. Peter Post kent die situatie van vroeger. ,,Met Raleigh of Panasonic zaten ze ook altijd bij ons in het wiel. Wij moesten altijd rijden. De Rabo moet gewoon blijven aanvallen.''

Een vergelijking van de huidige generatie met de gouden jaren van Raas, Kuiper, Zoetemelk en Knetemann gaat volgens Post mank. ,,Toen waren we in de breedte veel sterker. Je had wel honderd Nederlandse beroepsrenners en veel goeie, hoor.''

Momenteel hebben 46 Nederlanders een profcontract bij een grote of middelgrote ploeg. Vergeleken bij Frankrijk, Italië en Spanje een schamel aantal. De basis blijft smal, de top dus kwetsbaar. Het Rabo-wielerplan, in 1996 opgezet, moet zorgen voor de aanvulling van onderaf. De structuur, met een junioren- en amateurploeg, is een geprivatiseerde kopie van de nationale bondsselecties van voorheen. Bij de Rabobank springt men met beheerste politiek en engelengeduld om met de talenten.

De Groot, Löwik, Kroon, Boerman, Duijn, Boven, Pronk, Veneberg en Engels mogen in de schaduw van hun kopmannen rijpen. Manager Jan Raas heeft altijd gesteld dat het Rabo-wielerplan pas een succes is als een renner die ooit als junior binnenkwam het hoogste podium bij de profs beklimt. Voorlopig gaat de bank nog drie jaar door met de sponsoring. In de herfst neemt de hoofddirectie een beslissing over de toekomst. Het lot van de Nederlandse wielersport ligt in handen van bankiers.

mailIcon print |