Een groep mensen op spirituele trektocht, zo zou Jan Hendriks de ideale kerkgemeenschap beschrijven. De uitkomst van de tocht is onzeker, de bestemming voorlopig, maar er is een globaal doel: zichzelf te vinden en te groeien in mystiek, gemeenschap met elkaar en dienstbaarheid aan de samenleving. Hendriks, theoloog en schrijver van het boek 'Gemeente als herberg', sprak vrijdag tijdens een bijeenkomst van het Theologencafé in Rotterdam.
Iedereen mag meedoen, zo is het doel van de kerk zoals Hendriks die schetst. De vraag of de parochie of gemeente slaagt, wordt beantwoord door degenen op de drempel: als die binnenkomen, slaagt de kerk; haken ze af dan faalt zij. ,,De gast, de mens op de drempel is het criterium aan de hand waarvan je concludeert of je bent geslaagd in je opzet'', zegt Hendriks. Tot voor kort was hij universitair hoofddocent gemeenteopbouw aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.
Wie mee wil doen met zo'n spirituele trektocht hoeft niet van tevoren ja en amen te zeggen tegen de hele traditie van het kerkgenootschap, met alle stellige waarheden en piketpaaltjes uit het verleden. Maar de traditie blijft wel aanwezig, als fonds waaruit tijdens de spirituele trektocht kan worden geput.
De gasten van deze ideale kerkgemeenschap zijn vrij om binnen te komen. Zij worden niet onder valse voorwendselen naar binnen gelokt om vervolgens te worden bekeerd. Bekeren mag, maar de gast wordt niets opgedrongen. Toegespitst op het voorbeeld van kerkgemeenschappen voor drugsgebruikers zegt Hendriks dat de kerk niet het doel heeft dat de gasten stoppen met drugs gebruiken en zich bekeren. Ze zijn welkom.
Maar daarmee bedoelt Hendriks niet dat de kerk een open inloophuis wordt waarbinnen niemand meer weet waar het om gaat. Hij lijkt beducht voor het misverstand te willen terugkeren naar het ideaal van de jaren zeventig, van de kerk van onderen. Die was zo pluriform en oeverloos ,,dat aan het eind iedereen zich verveelde''.
Hendriks wil integendeel dat de kerk present is en duidelijk toont waar zij voor staat. ,,We laten de gast binnen en confronteren hem met onze ideeën en handelwijze.'' Het gaat om die optelsom van gastvrijheid en confrontatie. Enerzijds is er duidelijkheid: elke gast die binnenkomt merkt snel waar de kerk voor staat. Anderzijds is de gast welkom, wie hij ook is en wat hij ook denkt. Die gastvrijheid is juist onderdeel van waar de kerk voor staat.
Uiteindelijk is in de kerk iedereen te gast, de mensen bij elkaar en uiteindelijk bij God, zegt Hendriks. Maar hoe maak je een kerkgemeenschap gastvrij? Hoe verander je een dorre gemeenteavond waar mensen tegen elkaar opscheppen over hun kinderen in een gastvrije avond? Door bijvoorbeeld elkaar de vraag te stellen wat je in de laatste weken het meest heeft beziggehouden, oppert Hendriks. Dat opent de weg naar een echt gesprek, naar een gastvrije omgeving.
In zo'n kerk als herberg hoort een preek niet thuis. Veeleer zoekt zo'n gastvrije gemeente het in verhalen. Een preek dwingt mensen het ermee eens te zijn of het af te wijzen, een verhaal biedt de kans je te identificeren met de personages uit het verhaal. Een preek bindt je of stoot je af, een verhaal biedt mogelijkheden om mee te doen.
Hendriks: ,,Verhalen stichten gemeenschappen''. Of zoals C. A. van Peursen schreef: ,,Misschien is de christelijke religie in wezen een reeks vertellingen van menselijke geschiedenissen, waarin iets van een geheimzinnige en goddelijke macht speurbaar werd.''
Verhalen in plaats van preken past ook beter bij de moderne behoefte om te praten over vragen in plaats van over antwoorden. En uiteindelijk, zegt Hendriks, brengen verhalen de mens dichter bij de 'volle waarheid' dan verhandelingen. De gemeente die zich als herberg wil opstellen moet wel aan enkele voorwaarden voldoen, vindt hij. Ze moet van betekenis zijn voor mens en samenleving. Ze moet niet boven haar macht grijpen en liever iets kleins verrichten dan bezwijken onder de te vele taken die ze op zich neemt. De gemeente moet recht doen aan het idee dat de mens subject is, zoals God sprak tot Mozes van aangezicht tot aangezicht. Er moet de ontmoeting zijn met God, elkaar en de samenleving.
Om het ideaal van de kerk als herberg beter te onderscheiden, beschrijft Hendriks welke ideaalbeelden er de laatste vijftig jaar opgang hebben gedaan. Vijftig jaar geleden was het duidelijk: toen was het kerkbeeld hiërarchisch, de dominee wees de weg want hij had het woord dat de wereld nodig had. Het bij die tijd en dat ideaal passende bijbelverhaal was dat van de Goede Herder.
Daarna kwam de kerk van onderen, het bovengenoemde ideaal uit de jaren zeventig. De kerk had niet meer een woord voor de wereld, maar werd een en al oor. De dominee veranderde van wegwijzer in agoog, en het bijpassende beeld uit de Bijbel was dat van de kerk als lichaam. Hendriks: ,,Als je in die tijd de dominee vroeg hoe laat het was, zei hij: 'Wat denk je er zelf van?''
Waar deze kerk zo pluriform werd dat ze op het eind geen gezicht meer kon tonen, ontstond de actievoerende kerk. Die stond middenin de samenleving, want dit was de profetische kerk met de dominee als inspirator en de bergrede als favoriete bijbelpassage. Het zal duidelijk zijn dat we nu in de jaren tachtig zijn beland, de tijd van onder andere de anti-kernwapencampagnes.
In de kerk van 2000, de gastvrije herberg waarin mensen samen een spirituele trektocht maken, is de ambtsdrager een coach en het bijpassende bijbelverhaal dat van de Emmausgangers. De kerk biedt een luisterend oor, maar heeft ook een woord present.
Wat de herberg niet mag worden is een hotelkerk, zoals de Nederlands hervormde kerk wel is omschreven. In een hotelkerk bewonen verschillende groepen binnen de kerk elk hun eigen etage en noch met elkaar noch met de buitenwacht hebben ze contact. Onderling contact is wezenlijk, vindt Hendriks.
Concreet betekent dat voor de drie fuserende Samen-op-wegkerken dat de dwarsliggende orthodoxe hervormden volgens Hendriks best hun eigen gemeenten mogen hebben, mits ze op regionaal niveau contact houden met andere gemeenten die er minder zware ideeën op nahouden.
De kerk als herberg bestaat allang, zegt Hendriks. Hij verzint niet iets maar signaleert het alleen. Ze bestaan, de kerken die zich open en gastvrij opstellen als een herberg en erin slagen mensen over de drempel te krijgen. Een voorbeeld dat Hendriks vrijdag noemde is de Keizersgrachtkerk in Amsterdam.
Wie de kerk als herberg niet radicaal genoeg is, kan ook kiezen voor de kerk als voorbeeld. Dan vormt een groep mensen een gemeenschap die uitdrukkelijk de bedoeling heeft de samenleving te laten zien hoe het anders kan; tegenover de cultuur plaatsen zij een tegencultuur. Van abstract doel verandert het Koninkrijk Gods dan in een tegenzet. Voorbeelden daarvan zijn de gemengd katholiek-protestantse Cornerstone Community op de grens van katholiek en protestants Belfast in Noord-Ierland, of het klooster van de zusters Augustinessen in Amsterdam.
De kerk als herberg en de kerk als radicale tegencultuur zijn twee toekomstmogelijkheden die Hendriks signaleert. Zijn nadruk op de mogelijkheden van de kerk wijst op een zeker optimisme, maar dat neemt niet weg dat hij op dit moment somber is over de kerken. Zij hebben de aansluiting bij de maatschappij verloren en niets lijkt de afbrokkeling te kunnen stoppen. ,,Velen zijn moedeloos'', zegt Hendriks.
Om 'een plaats te maken en te behouden voor God terwille van de mensen' heeft de kerk daarom een visie nodig. Om die te kunnen formuleren signaleert Hendriks in zijn in september verschenen boek de gastvrije herberg en de radicale groep als mogelijkheden. Inmiddels zijn er 2000 exemplaren van dit boek verkocht, een tweede druk is zojuist verschenen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.