Alles wijst erop dat de maandag vermoorde Joegoslavische minister van defensie Pavle Bulatovic het jongste slachtoffer geworden is van de keiharde oorlog in de Montenegrijnse maffia.
De ene helft van die maffia steunt de Montenegrijnse regering van president Djukanovic, en is voor onafhankelijkheid. De andere helft, die belang heeft bij het instandhouden van de Joegoslavische federatie, is op de hand van de Joegoslavische president Milosevic. De twee groepen zijn verwikkeld in een conflict over geld, zwarte handel, smokkelroutes, en uiteindelijk over de politieke toekomst van Montenegro.
Volgens regeringsfunctionarissen in de Montenegrijnse hoofdstad Podgorica speelde Bulatovic, een Montenegrijn, een hoofdrol bij de pogingen van Belgrado het Montenegrijnse onafhankelijkheidsstreven de kop in te drukken. Zo zou het Joegoslavische Tweede Leger in zijn opdracht bezig zijn met het organiseren van een speciale militaire politie. Die moet een tegenhanger worden van de 'normale' politie in Montenegro die onder controle van Djukanovic staat.
Bulatovic was een van de kopstukken van de Socialistische Volkspartij (SNP) in Montenegro, een zusterpartij van Milosevic' Socialistische Partij van Servië (SPS). In de Joegoslavische regering was hij, ondanks zijn ogenschijnlijk belangrijke portefeuille, een onbetekende figuur, volkomen loyaal aan Milosevic. Zijn macht ontleende hij aan het pro-Servische deel van de Montenegrijnse bevolking, en aan hun met Djukanovic' aanhang concurrerende smokkelimperium. De 'Servische Montenegrijnen' wonen voornamelijk in het noorden van het land. Ze dreigen met afscheiding als Montenegro zich onafhankelijk verklaart.
Waarnemers wijzen erop dat Bulatovic mogelijk in conflict is gekomen met Zeljko Raznatovic, alias Arkan. De moord op Arkan, op 15 januari, heeft al eerder speculaties over een 'Montenegrijnse connectie' losgemaakt. Oliesmokkelaar Arkan steunde Djukanovic bij de presidentsverkiezingen van drie jaar geleden. Hij heeft veel geld verdiend door zaken te doen met een Montenegrijnse olie-clan die aan Djukanovic gelieerd is. Niet uitgesloten is dat Arkans mannen Bulatovic verantwoordelijk houden voor de moord en nu hebben teruggeslagen.
Het begin van de liquidatiereeks in deze 'politieke maffia-oorlog' wordt wel gelegd in de zomer van 1998, toen de onderwereld van Belgrado werd opgeschrikt door de moord op olie- en cocaïnesmokkelaar Darko Asanin - neef van Bulatovic. Net als Bulatovic werd Asanin doodgeschoten in een restaurant. Volgens de (niet meer bestaande) oppositiekrant Dnevni Telegraf was Asanin de organisator van een aantal demonstraties in Montenegro tegen Djukanovic in de aanloop naar de verkiezingen van 1997. De Montenegrijnse politie liet weten dat hij achter een groep zat van twaalf gearresteerde Serviërs die sabotage en terroristische acties hadden moeten plegen. ,,De groep was gestuurd op verzoek van zijn neef, een hoge functionaris van de federale regering en de SNP'', onthulde de Dnevni Telegraf.
Asanin had nauwe banden met Arkan. Beiden hadden voor de Joegoslavische geheime dienst in het buitenland opdrachten uitgevoerd. Beiden werden in West-Europa gezocht wegens moord. Interpol beschouwde hen als de belangrijkste organisatoren van een drugslijn die via Turkije, Griekenland, Kosovo en Servië naar West-Europa liep.
De moord op Bulatovic komt op een moment dat de spanningen tussen Servië en Montenegro oplopen. De Amerikaanse CIA-directeur George Tenet waarschuwde onlangs voor een uitbarsting in het voorjaar. De pro-westerse regering van Djukanovic vreest dat Milosevic het land met provocaties in een burgeroorlog zal storten. In Servië is menigeen bang voor Navo-ingrijpen en nieuwe bombardementen, als het in Montenegro tot oorlog komt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.