Negen jaar werkte Hans Snoek namens de gereformeerde zending als docent Hebreeuws en Oude Testament aan het baptistenseminarie in Nicaragua. Hij schreef toen een aantal stukken voor Trouw over de politieke en religieuze ontwikkelingen daar. Donderdag promoveerde hij in de theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. 'Antwoorden op het lijden', heet zijn proefschrift, over de actualiteit van het boek van Job voor de armen in Nicaragua.
'Waarom ben ik niet bij de geboorte gestorven, heb ik niet de geest gegeven toen ik uit de moederschoot kwam? Waarom hebben knieën mij opgewacht, waarom borsten, zodat ik kon zuigen? Dan zou ik nu nederliggen en stille zijn, ik zou slapen; dan zou ik rust hebben.''
Bovenstaande is geen fragment uit het dagboek van de heer Brongersma, die in zijn laatste jaren levensmoe werd en zijn huisarts verzocht om euthanasie. Het is Jobs 'bittere klacht' uit het Oude Testament, een van de zeldzame passages in de bijbel waarin het verlangen naar de dood zo nadrukkelijk ter sprake komt.
De eens zo welvarende, maar nu zo arme Job, getroffen door diverse rampspoeden en geheel bedekt met boze zweren, ziet het leven niet meer zitten. Hij beklaagt zich en roept God ter verantwoording. Drie vrienden komen langs om hem te troosten. Zij willen hem van raad voorzien, maar Job kan zich niet in hun woorden vinden. Terwijl de vrienden menen dat God toch bovenal rechtvaardig is en niet voor niets straft, blijft Job koppig volhouden aan zijn onschuld. Volgens de vrienden kan Job echter niet helemaal onschuldig zijn.
De meeste bijbelwetenschappers vonden tot nog toe dat deze vrienden star en vijandig op Job reageren, maar hun vakgenoot Hans Snoek deelt deze mening niet. ,,Iemand met suïcidale behoeften tegenspreken, noem ik niet vijandig'', zegt hij. ,,En wat betreft die starheid: Elifaz (een van de vrienden) haalt argumenten aan uit de traditie, maar vertelt ook over zijn eigen ervaringen.''
De toespraak van Elifaz staat centraal in zijn proefschrift 'Antwoorden op het lijden'. Het geloof dat mensen niet zomaar lijden, zoals dat door Elifaz verwoord wordt, is volgens Snoek niet verwerpelijk. Nog steeds vinden veel christenen houvast bij deze manier van denken. Dit ontdekte hij toen hij gelovigen zonder theologische achtergrond vroeg naar hun verklaringen voor het lijden.
Voor zijn onderzoek had hij een groep gelovigen nodig die bijna evenveel reden tot klagen hebben als Job zelf. Die vond hij in een gebied dat hij goed kende: Nicaragua, een land geteisterd door orkanen en vloedgolven, door armoede en honger, door corrupte politici en criminaliteit.
Al eerder raakte hij geboeid door de manier waarop men in Latijns Amerika met lijden omgaat. Tijdens een studiereis naar Argentinië en enkele jaren later in Nicaragua zag hij dat ,,arme, eenvoudige gelovigen, ondanks natuurrampen, armoede en ziekte vasthielden aan hun geloof in een rechtvaardige, liefdevolle God.'' Verbaasd constateerde hij dat zij daar niet wakker liggen van de theodicee, de vraag hoe God en het kwaad samen kunnen gaan.
,,God doet tal van dingen die we niet begrijpen'', vertelt Mariano in het proefschrift. ,,Het enige waar we zeker van kunnen zijn, is dat hij rechtvaardig is, ook in situaties waarbij het tegendeel het geval lijkt te zijn.''
Guillermina over de rechtvaardigheid van God: ,,Vorig jaar is mijn dochter van 17 aan bronchitis overleden. Een half jaar daarvoor heb ik een zoon gekregen, nadat ik 15 jaar mijn best had gedaan om zwanger te raken. Tenslotte ben ik op m'n 51de zwanger geraakt. Ik was zielsgelukkig. Toen ik kort daarna m'n dochter verloor, begreep ik opeens hoe groot Gods wijsheid en liefde is. Hij wist dat ik m'n dochter zou verliezen en om me te troosten heeft hij ons een ander kind geschonken.''
In Nicaragua leeft meer dan tachtig procent van de bevolking in armoede. De import van goedkope rijst uit de Verenigde Staten zorgt ervoor dat kleine boeren van het land gedreven worden. Ook de kooplui die met een kraampje op de markt staan, hebben het zwaar. De koopkracht neemt af, de concurrentie toe. Sinds de subsidies voor onderwijs en ziekenzorg zijn opgeheven, zijn deze zaken voor de armsten onbetaalbaar geworden.
,,Het is een vrij verdrietig verhaal'', zegt Snoek. ,,De toenemende armoede is ook de reden dat de pinksterkerken zo groeien. Iedereen kan participeren in zo'n kerk. Je geniet de voordelen van een gemeenschap die iets voor je kan betekenen en waarin ook jij iets kan betekenen, hoe arm je ook mag wezen.''
Zijn onderzoek beschrijft de reacties van leden van de Nicaraguaanse Kerk van God. Het is een van de op Amerikaanse leest geschoeide pinksterkerken die op het moment enorm groeien in Latijns Amerika. Velen verlaten de katholieke kerk om als gemeente kerk te worden. Met veel zang en vrolijkheid wordt tijdens de diensten God geëerd.
Naar schatting behoort circa vijfennegentig procent van de zogenaamde pentecostalen (leden van de pinkstergemeente) tot de lagere klassen. Je zou denken dat daar wel veel aandacht wordt besteed aan de vraag waarom als God bestaat er toch zoveel lijden is in de wereld, maar juist in de doctrines en diensten van de pinkstergemeenten komt dit thema nauwelijks aan de orde.
Snoek: ,,De predikanten zeiden dat de mensen al zoveel ellende en verdriet ondervonden in het dagelijks leven, dat dit soort onderwerpen zorgvuldig worden gemeden. Het is eerder het verhaal dat Jezus wonderen doet en mensen helpt, zo van 'Hoera! God houdt van ons!' De diensten worden beschouwd als momenten om blij te zijn, alle ellende van de straat wordt op straat gelaten.''
De geïnterviewden kenden het verhaal van Job nauwelijks, ze bleken alleen het begin en het einde te kennen, van de drie vrienden hadden maar weinigen gehoord. In hun antwoorden kwam echter steeds de overtuiging terug dat God een bedoeling had met het lijden dat hij veroorzaakte. Snoek voelde zich niet in de positie om dit sterke geloof te bestrijden, zelfs niet als de mensen de meest afschuwelijke ervaringen zagen als een straf van God voor de zonden die zij begingen. ,,De hele wereld om hen heen is zo grillig en onvoorspelbaar dat de behoefte aan iets voorspelbaars heel groot wordt. Op pastoraal niveau kan ik mij er wat bij voorstellen, op exegetisch niveau denk ik dat het niet zo simpel is.''
Snoek geeft toe wel een beetje jaloers te zijn op de spiritualiteit van de armen in Nicaragua. ,,Die spiritualiteit was bij mij minder ontwikkeld dan de rationele theologie. Een van de belangrijkste dingen die ik ervan geleerd heb is de verleiding om het Europese wereldbeeld, waarin de mens een zeer grote rol speelt klakkeloos over te nemen. Door Nicaragua ben ik God steeds groter gaan maken en mijzelf steeds kleiner. Op het moment dat je voor een vulkaan staat en er worden tonnen stof naar beneden gegooid weet je dat de mens een zeer kleine rol speelt. Ook als je ziet hoeveel er gedaan wordt om Nicaragua er bovenop te helpen en hoe weinig effect dat heeft, besef je dat de mens niet alles controleert. Er zit een ingebakken optimisme in onze Europese cultuur, dat ik daar beter heb leren herkennen: het optimisme dat de mens het uiteindelijk zelf allemaal kan bepalen. Daar ben ik vanaf.''
,,En nu u weer in Nederland bent? Bent u nu weer gegroeid en is God weer gekrompen?''
,, Nee, het lijden speelt zich ook af in de flats hier om mij heen. Dit is een uitermate gekleurde buurt, mijn kinderen zitten op een school met tachtig procent allochtonen. Ik zie daar dat vijfde en zesde klassers nog steeds niet goed spellen, hoe groot het percentage is dat ondanks alle moeite toch de criminaliteit ingaat. Ook daar zie je het onvermogen van de samenleving.''
Antwoorden op het lijden, door J. Snoek. Uitg. Narratio, fl29
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.