*

 
dossier

Archief

'Ik had misschien mijn mond open moeten doen'

Door: redactie − 09/02/00, 00:00

Als er klachten zijn over optreden of ingrijpen van de Raad voor de kinderbescherming komen die veelal van ouders, verzorgers of andere familieleden. Kinderen die soms jaren onder een kinderbeschermingsmaatregel vallen (tot 18 jaar), ontmoeten in zo'n periode maar een paar keer een raadsonderzoeker. Heeft de kinderrechter eenmaal een maatregel uitgesproken, dan is het de voogdij-instelling die zorgt voor de uitvoering van de maatregel. Het is de (gezins)voogd, die het kind en ouders verder begeleidt. Voor de jongeren zelf is dat onderscheid niet altijd even duidelijk.

,,Voor mij is het één pot nat'', zegt Arjan, net achttien, 'verlost' van de ondertoezichtstelling en naarstig op zoek naar een baan. Wat hij vond van de inmenging van de Raad voor de kinderbescherming? ,,Ik had toen al aardig wat gezien van de jeugdhulpverlening. Sinds mijn negende zat ik 'vrijwillig' in een kindertehuis. Ik was alleen met mijn moeder, had gedragsproblemen. Toen ik twaalf was werd me gevraagd hoe ik het zou vinden een voogd te krijgen. Ik weet niet eens waarom het moest, ik denk dat iemand uit het tehuis het aan mijn moeder voorstelde en dat ze het goed vond. Ik had het beeld van iemand die er speciaal voor jou is, die naar je luistert en cadeautjes voor je meebrengt, dus ik vond het ook wel best.'' Dat was het moment dat Arjan in contact kwam met de Raad voor kinderbescherming. ,,D'r kwam iemand een half uur praten en dat was 't. Hoe kun je nou in zo'n korte tijd weten waten goed voor me is?''

In het gezin waarin Brenda van den Berg (nu 20), als oudste van vier opgroeide, was de raad geen onbekende. Het 'moeilijk opvoedbare' zusje onder haar was al op vijfjarige leeftijd uit huis geplaatst. En de rest van het gezin werd in de gaten gehouden: vader was een alcoholist en moeder verslaafd aan drugs. Brenda was dus niet 'superverbaasd', zoals ze het zelf zegt, toen de raad wederom ingreep, maar wel ontzettend boos.

,,Ik zal veertien zijn geweest. Ik zat op de middelbare school, tweede klas. Iemand kwam me uit de les halen. Er werd verteld dat mijn broertje (9) en zusje (7) thuis waren weggehaald. Door de Raad voor de kinderbescherming. Ik had zoiets wel verwacht, maar ik werd woest omdat ze de kinderen hebben weggehaald zonder dat ik erbij was. Ook de raad wist dat ík altijd voor ze zorgde. Dat ík ze altijd heb beschermd tegen de gevechten tussen mijn vader en moeder.''

,,De kinderen zijn echt het huis uitgesleurd, heb ik begrepen van mijn vriend die toevallig bij ons thuis was. Ze kwamen binnnen met politiemannen. Mijn broertje en zusje wilden niet mee en verzetten zich. Waarom zó? Hadden ze niet op me kunnen wachten? Ik had de kinderen kunnen voorbereiden. Ik had ze gerust willen stellen.'' Een raadsmedewerker was naar school gekomen en wilde met Brenda praten over de uithuisplaatsing van haar broertje en zusje. ,,Ik ben met hem op de vuist gegaan. Maar ik móest luisteren, anders zou ook ík naar een kindertehuis moeten.''

Brenda is vervolgens ondergedoken, maar moest toch een keer praten. Gelukkig met een andere raadsmedewerker die toegaf dat de raad het beter anders had kunnen aanpakken met haar broertje en zusje. ,,Dát deed me goed, dat ze dat toegaf. Want verder vond ik het ook wel beter voor de kinderen dat ze nu ergens anders waren.''

Pas toen had Brenda het gevoel dat ze open met de raadsmedewerkers kon praten over haar eigen toekomst. Ook zij zou onder toezicht worden gesteld. Maar ze gaf aan niets voor een kindertehuis te voelen, thuis was ze immers toch al 'op zichzelf geweest'. De raad vond Brenda inderdaad zelfstandig genoeg om - ondanks haar jeugdige leeftijd - kamertraining te volgen.

Brenda heeft nu met haar vriend een eigen gezin met twee jonge kinderen en is in de weekeinden voor haar broertje en zusje een pleeggezin. ,,Want naar mijn ouders kunnen ze niet, die zijn nog steeds erg a-sociaal.'' Ook Brenda valt sinds haar achttiende niet meer onder een kinderbeschermingsmaatregel. Maar 'verlost' is ze niet van de raad vanwege haar 'pleegkinderen'. ,,Ik ben niet bang dat het zal misgaan in mijn gezin. Ik heb dan wel niet het goede voorbeeld gehad, maar ik wist dat het niet goed was zoals mijn ouders het deden. Als pleeggezin worden we in de gaten gehouden. Da's logisch, vind ik ook niet erg. Ik denk vaak: hoe het je verder vergaat hangt maar net af van de persoon die je treft. Met die maatschappelijk werker waarmee ik op de vuist was gegaan, was het nooit wat geworden. Dan was ik vijandig gebleven en was het nooit gelopen zoals het nu is. En met de voogd die ik had, heb ik nog steeds contact. Ik mag haar bellen als ik ergens mee zit.''

Arjan wil niets meer te maken hebben met 'al die dwazen' van de Raad voor de kinderbescherming en de voogdij-instellingen. De voogd die hij uiteindelijk kreeg was niet het luisterend oor dat hij verwachtte. ,,Misschien komt het ook wel door de puberleeftijd hoor, dat ik me destijds zo verzette tegen die mensen. Maar ze gaven me ook het gevoel dat ik een nummer voor ze was, een 'geval'. En meermalen kreeg ik het idee dat ze meer naar mijn moeder luisterden dan naar mij. Ik had misschien ook meer mijn mond open moeten doen voor de kinderrechter. Dat zou ik alle kinderen die voor de kinderrechter moeten verschijnen willen zeggen: 'Jíí komt op de eerste plaats, niet je ouders'.''

mailIcon print |