Het was een oninteressant industriestadje tot het wereldfaam verwierf als hoofdstad van de Republika Srpska Krajina. Inmiddels is Knin, in het zuiden van Kroatië, weer net zo onopvallend als weleer. Alleen zijn de Serviërs er nu ver in de minderheid.
Het plastic voor de ramen houdt de kou niet buiten en de warmte van een armzalige kacheltje niet binnen. Bosko Kablar huivert. ,,Ik had een huis, een baan, vrienden, mijn vrouw werkte, we hadden het goed'', zegt hij alsof hij het nog steeds niet kan bevatten. ,,Nu leven we in een krot en van de bedeling.''
Een kwartier eerder heeft de Serviër me langs zijn vorig leven geleid. ,,Kijk, hier'', zei hij opgewonden, terwijl we door Knin reden, ,,dat huis, dat is van mij.'' De huidige bewoner denkt daar duidelijk anders over. Hrvatska kuca, Kroatische huis, staat pontificaal op de gevel. En daar, en daar, en daar, dat waren allemaal huizen van Serviërs, is Kablar vervolgens niet meer te stuiten. Nu wonen er Kroaten. Uit Bosnië. Uit Vukovar, in het oosten van Kroatië. Of gewoon uit Knin. ,,Die hebben zich een mooier huis toegeëigend.''
Teneergeslagen en mat is de vijftiger, net als zijn buurman en generatiegenoot Dragan Jerkovic. Hun huis terug en werk. Dat zijn hun enige verlangens. Ontnuchterd zijn ze. Allang eigenlijk, maar de kater wil maar niet over gaan. Een eigen republiek voor de Serviërs, een autonome regio? Nee, schudden ze het hoofd, zelfs over iets bescheidens als culturele autonomie heeft niemand het meer. ,,We accepteren dat dit Kroatië is, dat we burgers van Kroatië zijn. We willen onze bijdrage leveren aan de opbouw van het land. We moeten wel, ergens anders kunnen we niet heen.''
Hoe anders klonk het begin 1992, bij het eerste bezoek aan Knin, een onbeduidend industriestadje in het zuiden van Kroatië, dat wereldfaam had gekregen als hoofdstad van de 'Republika Srpska Krajina'. De politiek had er zelfs een plaats op de menukaart veroverd. Pizza Krajina heette de specialiteit van een plaatselijke restaurant. Vier groene pepertjes in de vorm van vier S'en op een knapperige bodem: Samo Sloga Srbima Spasava, alleen saamhorigheid kan de Serviërs redden.
En schouder aan schouder stonden ze ook. Tegenover de nieuwe president Franjo Tudjman, die van de Serviërs een minderheid wilde maken in een onafhankelijk Kroatië. Zijn woorden, zijn daden riepen vage herinneringen op aan de Tweede Wereldoorlog, toen het fascistische Ustaha-regime talloze Serviërs over de kling joeg. Belgrado zette vervolgens het beeld van het verleden op scherp.
Dus kwam Krajina, de aan Bosnië grenzende regio waar Serviërs sinds jaar en dag de dienst uitmaakten, in opstand. Uit het onbekende Knin kwamen, begin jaren negentig, voor het eerst de beelden die later zo kenmerkend zouden worden voor het (inmiddels) voormalig Joegoslavië: gewapende mannen, barricades, bloed. Nooit, zeiden de Serviërs toen, wordt dit weer Kroatië. Ze hingen de Servische vlag aan het stadhuis, voorzagen overheidsgebouwen van cyrillische opschriften en bleven stug de Joegoslavisch/Servische dinar gebruiken, ook al werd die minder en minder waard. Jarenlang wemelde het in Knin van de soldaten.
Bosko en Dragan waren al die tijd in Knin. Veel willen ze er niet over kwijt. ,,Ik heb niet in het leger gezeten'', ontwijkt Dragan de vraag wat hij deed in de periode dat Serviërs in Krajina heer en meester waren. ,,Natuurlijk heb ik gevochten'', zegt Bosko, ,,iedereen heeft een uniform aan gehad. Je moest wel. Als je weigerde was het met je gebeurd.''
Liever hebben ze het over augustus 1995, toen het Kroatische leger korte metten maakte met eeuwen Servische aanwezigheid in Krajina. Opmerkelijk genoeg geldt hun verontwaardiging niet zozeer de vijand. Hun boosheid richt zich vooral op die Servische saamhorigheid, die niet bleek te bestaan. Vijf augustus aan het eind van de middag, herinnert Dragan zich, begonnen de inwoners van Knin ineens massaal te vertrekken. Het Joegoslavische Leger ging hen vooraf. ,,We dachten nog: het is een tactische terugtrekking. Totdat we onszelf in Belgrado terugvonden. Toen realiseerden we ons: we zijn verkocht''.
Als een wervelwind trok het Kroatische leger de Krajina door en ging in één moeite door de Bosnische grens over. Verder ging het, richting Banja Luka, dat andere Servische bolwerk. De krachtsverhoudingen in het voormalig Joegoslavië bleken definitief gewijzigd: het akkoord van Dayton was het resultaat.
Ondertussen hadden de Kroaten méér gedaan dan Krajina heroveren. Ze hadden het grotendeels verwoest. Kort na 'Operatie Storm' reed ik via de E-59 van Zagreb naar Split. Vlak onder Karlovac begon de leegte en de verwoesting. Ruim 200 kilometer lang slingerde de snelweg zich langs verlaten dorpen, zwartgeblakerde huizen, weiden zonder vee en velden waar de oogst stond te verpieteren.
Alleen Knin had de wisseling van de wacht tamelijk ongeschonden doorstaan. Vanaf het fort op de heuvel wapperde de Kroatische vlag. Een speciaal voor de gelegenheid gemaakt exemplaar: extra groot, zodat je hem van veraf al kon zien. De pizzeria was van eigenaar veranderd. Het stadhuis had een nieuw adres gekregen. Marsala Tita had plaatsgemaakt voor Kralja Zvonimira. In latijns schrift uiteraard.
Op het stadhuis zaten nieuwe ambtenaren, nieuwe secretaresses. De stad was nog half leeg, maar daar zou gauw verandering in komen, voorspelde de man die door Zagreb was aangesteld om de Krajina weer tot leven te brengen. Wacht maar af, binnen een paar jaar is dit een bloeiende stad.
Januari 2000 is Knin, met zo'n 17000 inwoners weer nagenoeg op vooroorlogse sterkte. Voor het station is een standbeeld verschenen van een soldaat die de armen in triomf omhoogheft. 'Hun onmetelijke liefde voor het vaderland was sterker dan de dood', luidt het opschrift. De bezoekers van een nabij café hebben voorlopig hun buik vol van geschiedenis en grootse daden. ,,We hebben geen werk en geen geld'', luidt hun klacht. ,,Armoe troef is het hier.''
Het valt niet mee, de wederopbouw, zucht ambtenaar Vinko Maric, tevens voorzitter van de plaatselijke HDZ, de partij die tot voor kort in Kroatië de dienst uitmaakte. Na de roes van de overwinning, zegt ook hij, kwam de ontnuchtering. Met het vertrek van de Serviërs waren de problemen van Knin niet voorbij.
De werkloosheid is zeker zo hoog als in de rest van het land, dat er met twintig procent van de beroepsbevolking zonder baan toch al slecht voorstaat. Het grootste deel van Knin leeft van staatssteun (pensioen of uitkering). Net als het dat -Maric is zich dit de afgelopen jaren pijnlijk bewust geworden- in de jaren tachtig deed. Al ver vóór het eerste schot gelost werd, lag de economie op zijn gat.
Spijkers en schroeven. Daarmee verdienden destijds veel inwoners van Knin hun geld. Drieduizend mensen werkten er bij Tvik. ,,Maar eigenlijk waren dat er veel te veel'', constateert Maric. ,,De werkgelegenheid werd in stand gehouden om sociale onrust te voorkomen.'' Net als Kosovo kreeg Krajina in het oude Joegoslavië geld uit het Fonds voor Onderontwikkelde Gebieden. Jonge mensen (Serviërs èn Kroaten) trokken massaal weg. Naar gebieden met leuker werk en meer vertier.
Nu loopt het Kroatische Privatiseringsfonds te leuren met Tvik, met Kninjanka (kleding) en met Mladost (verpakkingsmateriaal). Buitenlandse noch binnenlandse investeerders zijn geïnteresseerd. Zagreb steekt wel geld in de regio, zegt Maric licht kritisch, maar doet dat op dezelfde manier als destijds het oude communistische regime: om de vrede te bewaren. Bruisende ideeën zijn er niet bij.
En de Serviërs? Die vormen in Knin, in Krajina, de minderheid die ze destijds met alle geweld niet wilden worden. Mondjesmaat zijn ze teruggekomen. Eerst de ouderen, de gepensioneerden. Daarna, voorzichtig, de jongere generaties. Maar van de ruim 200000 mensen die destijds hun biezen pakten, is nog altijd driekwart weggebleven.
Bosko en Dragan kwamen eind 1996. Ze hadden de keus: in Servië blijven, waar ze niet welkom waren, of terug naar Kroatië waarvoor hetzelfde gold. Bij thuiskomst bleek hun huis vergeven aan Kroaten, die op hun beurt uit Bosnië waren verjaagd. Eindeloos hebben ze bij de lokale overheid aan de bel getrokken. Die beroept zich op overmacht. ,,De Kroaten die hier nu wonen komen uit de Republika Serpska, waar ze zijn verjaagd door Serviërs die uit Sarajevo zijn verdreven'', schetst ambtenaar Matic het 'na-u'probleem.
De twee begrijpen wel dat een warm welkom te veel gevraagd was. We willen onze verantwoordelijkheid niet ontlopen, haasten ze zich te benadrukken. We hebben ons allemaal laten meeslepen destijds. Maar de echte heethoofden, constateren ze bitter, diegenen die de heleboel hebben opgestookt, die zijn hier helemaal niet. Babic, Martic, Macura en hoe ze ook heten mogen, de mannen die zich destijds plotseling met ministerstitels tooiden en in grote auto's voorreden. Die zitten allemaal in Belgrado.
Sinds de Serviërs op 5 augustus '95 op de vlucht sloegen en met hun tractoren en auto's een lang lint vormden tussen Knin en Belgrado, hebben die niks meer van zich laten horen. Dat wil zeggen: tot vlak voor de jongste parlementsverkiezingen in Kroatië. Eén van de vele ex-ministers liet toen weten dat de Serviërs in Kroatië de hele zaak maar moesten boycotten. ,,Alsof de tijd in 1990 is blijven stilstaan.''
Als goede staatsburgers zijn Bosko en Dragan, op 3 januari, wél naar de stembus gegaan. De winst van de centrum-linkse coalitie heeft een beetje moed gegeven. Dat de beoogde premier Ivica Racan zijn landgenoten toespreekt als 'burgers van Kroatië' in plaats van 'Kroaten' vinden ze een hele vooruitgang. ,,Had Tudjman dat maar gedaan.'' Maandag, als Kroatië diens opvolger kiest, gaan ze weer.
Januari 2000 is de ergste schade langs de E-59 wel hersteld. De reiziger op weg naar de kust wordt niet al te zeer afgeleid door vervelende beelden. Een paar gloednieuwe benzinestations en veel meer restaurants schreeuwen om aandacht. Hier en daar draait, als vanouds, een varken rond het spit. Bij het meer van Plitvice is een nieuw hotel geopend.
Maar de sporen van de oorlog zijn maar één afslag ver. Angstig stil is het op de binnenwegen die de gehuchten en dorpjes van Krajina verbinden. Hier en daar waarschuwen vlaggetjes vooral óp de weg te blijven. Er moeten nog altijd een hoop mijnen worden geruimd.
Een kaal, onherbergzaam landschap wordt afgewisseld met huizen, zwartgeblakerd, tot de laatste spijker leeggeroofd, die al even onbewoonbaar zijn. Alleen rookpluimpjes doen leven vermoeden. Maar het zijn er maar een paar.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.