Elektriciteitsbedrijven in het buitenland lachen zich een kriek. Ze worden snel rijk ten koste van de Nederlandse belastingbetaler. Terwijl de stroomprijzen schommelen rond de 5 of 7 cent per kilowattuur (kWh), zijn Nederlandse distributiebedrijven zo gek om op de beurs meer dan 1 gulden per kWh neer te tellen. De miljoenen die zo over de balk worden gesmeten, komen ten laste van de eigenaren van deze bedrijven: de belastingbetalers.
Ook het milieu is het kind van de rekening. Voor 1 gulden per kWh kan men bijna zonne-energie produceren. De miljoenen worden echter betaald voor stroom van soms zeer vervuilende buitenlandse centrales. Ook in Nederland halen producenten oude, 'vuile' centrales uit de mottenballen om ze op volle kracht te laten draaien.
Hoe zijn deze exorbitante prijzen mogelijk, terwijl er, ook in Nederland, veel centrales zijn die tegen afbraakprijzen willen produceren? Ons poldermodel is een van de schuldigen. Grote, schone, Nederlandse centrales, die goedkoop kunnen produceren, zijn stil gezet. Als gevolg van een afspraak mogen zij hun overcapaciteit niet zomaar benutten. Ze mogen alleen stroom produceren die lang tevoren is besteld. Voor bijbestellingen berekenen zij het absurde 'superpiektarief' van ongeveer 1,20 gulden per kWh.
Dit wurgcontract was een gevolg van een moeizaam compromis, dat de partijen in de stroomwereld bereikten na jarenlang ruziën over een grootschalige fusie. Producenten, distributiebedrijven, overheden en ettelijke commissies waren erbij betrokken. Besluitvaardigheid was ver te zoeken. Betere oplossingen werden systematisch geblokkeerd door tenminste één partij.
Distributiebedrijven die stroom tekortkomen, kunnen in het buitenland bijbestellen. Maar die hoeveelheden zijn beperkt. Dat komt deels omdat Nederland roomser wilde zijn dan de paus. Terwijl andere landen listen verzinnen om buitenlandse stroom buiten de deur te houden, moest en zou de Nederlandse markt zo wijd mogelijk worden geopend. De overheid bestemde een deel van de beperkte importverbindingen exclusief voor de handel op onze elektriciteitsbeurs, waar stroom verkocht wordt aan de hoogste bieder. De beurs moest een paradepaardje worden.
Maar door het bestaan van het wurgcontract functioneert de beurs gebrekkig. Omdat Nederlandse distributiebedrijven te weinig stroom hebben, moeten ze naar de beurs. Daar hebben de buitenlandse bedrijven een machtspositie. Ze kijken rustig toe hoe de distributiebedrijven tegen elkaar opbieden om de laatste stroom van de markt te halen.
De overgang naar een vrije markt gaat altijd gepaard met problemen. Maar hier maken we het ons wel erg moeilijk. Dit komt ook door de verzelfstandigde overheidsbedrijven met hun ongebreidelde vrijheden. Tegen marktconforme salarissen mogen ondernemers spelen met overheidsgeld. De bedrijven zijn gewikkeld in een verbeten concurrentiestrijd, waarbij alleen het eigenbelang telt. Uit angst dat de concurrent, een ander overheidsbedrijf, een centje meer krijgt, worden wurgcontracten bedacht en nauwlettend uitgevoerd. Naar de gevolgen en het algemeen belang wordt niet gekeken. De provincies en gemeenten die eigenaar zijn van deze ondernemingen, willen of kunnen niet ingrijpen. Ook de centrale overheid blijft op afstand. Zo wordt Nederland internationaal de risee.
Annelies Huygen is onderzoeker economie aan de Universiteit Leiden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.