*

 
dossier

Archief

Schaamrood

Cees van der Laan − 02/09/00, 00:00

4 mei dodenherdenking, 5 mei bevrijdingsdag, 15 augustus Nederlands-Indië en 11 juli Srebrenica-drama. Moet ook die laatste dag in Nederland herdacht worden? Voor menig betrokkene is de dag van de val van de enclave Srebrenica en de daarop volgende massaslachting onder moslims een buitengewoon pijnlijke gebeurtenis die zeker niet onderdoet voor de emoties van getuigen van de Tweede Wereldoorlog. De parlementaire onderzoekscommissie-Bakker, die de besluitvorming rond een reeks vredesmissies onderzocht, zal maandag haar bevindingen publiceren. Of Nederland het drama ooit zal verwerken blijft echter de vraag. Trouw-redacteur Cees van der Laan verbleef in 1995 als oorlogscorrespondent voor de GPD in Srebrenica.

,De Nederlandse soldaten hebben ons in de steek gelaten'', huilde de vluchtelinge uit Srebrenica vlak na haar komst in Tuzla. ,,Nederlanders zijn verraders'', riep een andere boerenvrouw die onder het stof en uitgemergeld in veilig gebied was aangekomen. ,,Nederlanders heulden met de Serviërs. We haten ze'', was de stellige opvatting van weer een andere vrouw die behalve haar kleren en een tas niets meer had.

In die dagen na de val van de 'veilige' VN-enclave Srebrenica, 11 juli 1995, richtte de woede van 25 000 vrouwen en kinderen zich tegen Dutchbat, die volgens hen werkeloos had toegekeken hoe mannen en vrouwen werden gescheiden, verdreven of afgeslacht. Het tentenkamp op het snikhete vliegveld van Tuzla, met uitzicht op de verderop gelegen Servische stellingen, zinderde van diepe haat tegen de Nederlandse blauwhelmen. Als groet schoten de Serviërs die avond nog enkele granaten af op Tuzla, waardoor er twee doden vielen.

Toen de eerste moslimmilitairen arriveerden, na dagen van helse gevechten met zwaarbewapende Servische troepen en ongeregelde milities, stonden hun ogen vol haat. Ze hadden hun broers, hun vrienden en hun kinderen verloren. Sommigen waren in hun wanhoop tot zelfmoord gedreven in de bossen tussen Srebrenica en Tuzla of gewond achtergelaten. Verachtelijk spuugde de moegestreden officier op de grond toen hij erachter kwam dat hij met een Nederlander sprak. De tolk zei soms om de discussie te vermijden dat de journalist een Amerikaan was.

Voor iemand die gewend is dat het noemen van de Nederlandse nationaliteit waar ook ter wereld deuren opent of het begin vormt van een gesprek over Cruijff, Gullit of Van Basten, was de verbittering van de vluchtelingen niet onlogisch maar wel een regelrechte schok. Nederland was daar in Bosnië in enkele dagen tijd niet alleen synoniem geworden aan verraad en lafhartig gedrag maar ook symbool van de loze beloften van de Verenigde Naties en de Navo. Het positieve zelfbeeld van de Nederlander als onpartijdig beschermer van universele mensenrechten, zoals minister Pronk dat het liefst ziet, kreeg daar een afschuwelijke knauw.

Daar was bijna twee weken later, in het VN-kamp bij het vliegveld van het Kroatische Zagreb, overigens weinig van te merken. De emotionele ontlading die op 22 juli bij het Holland House plaatsvond onder de geëvacueerde Dutchbatters stond in geen enkele verhouding met het leed en verdriet van de moslimvluchtelingen en de dood van achtduizend mannen. Ofschoon de omvang van dit laatste nog niet bekend was, waren er al wel diverse serieuze aanwijzingen van Nederlandse militairen. Toch concludeerde de toenmalige landmachtbevelhebber Couzy dat er geen sprake was van genocide. Dutchbat had zich gezien de moeilijke omstandigheden goed van zijn taak ge kweten, oordeelde Couzy en niemand, ministers en Tweede-Kamerleden, sprak hem tegen. Alsof er niets was gebeurd ging iedereen na terugkeer in Nederland op vakantie.

In Zagreb werd de kiem gelegd van een maar dooretterende affaire waarvan het einde vijf jaar later nog steeds niet in zicht is. Er vallen steeds meer stukjes van de puzzel op zijn plaats, maar de verantwoordelijken - politici en militairen - draaien nog steeds om de hete brij heen. Waarom heeft Dutchbat zich niet feller verzet? Hadden militairen meer vluchtelingen kunnen redden dan het handjevol dat uiteindelijk de dans ontsnapte? Wie is verantwoordelijk voor dit echec? In plaats daarvan wordt het beeld instandgehouden dat de 400 militairen kansloos waren, maar desondanks met man en macht er alles aan hadden gedaan om erger te voorkomen.

Wie echter de naakte waarheid tot zich laat doordringen zal een reeks pijnlijke incidenten niet kunnen negeren. In opdracht van de plaatsvervangend commandant, majoor Franken, werden op 13 juli 251 mannen van de VN-com pound in Potocari gestuurd. In Potocari was het hoofdkwartier van Dutchbat gevestigd. Toen waren al Nederlandse militairen getuige geweest van het scheiden van de mannen en de vrouwen, waren buiten het terrein negen lijken gevonden van vermoorde moslimmannen en had een Dutchbatter een executie gezien. Toch werden ze willens en wetens aan de Serviërs overhandigd. Van de 251 mannen is nooit meer iets vernomen.

Op de operatietafel overleed een moslimvrouw omdat haar medicijnen werden onthouden uit de voorraad van Dutchbat. In Zagreb arriveerden op die 22ste juli slechts drie van de 21 vaste lokale medewerkers van het bataljon. De overigen werden achtergelaten en mochten voor hun eigen veiligheid zorgen.

Franken zei ook onverbiddelijk 'nee' tegen de smeekbedes van de VN-tolk Hasan Nuhanovic om z'n broer van twintig jaar een VN-pas te geven, waarmee hij met Dutchbat de enclave kon verlaten. Die broer verliet uiteindelijk de compound met z'n vader, die solidair met hem was, en z'n moeder in de wetenschap dat ze gedood zouden worden, vertelde de tolk later. Sindsdien worden ze vermist. Het was zo eenvoudig geweest om met een beetje administratieve creativiteit een pasje te fabriceren, waarmee drie levens hadden kunnen worden gered. Als de verbitterde Nuhanovic het verhaal vertelt, vliegt het schaamrood naar je kaken. Je gedachten gaan ongewild naar de Nederlandse politieagenten die tijdens de Duitse bezetting Joden kwamen ophalen. Formeel voerden ze gewoon een opdracht uit of, in het geval van Franken, hielden ze zich aan de regels.

Al in Zagreb besloot minister Voorhoeve tot een onderzoek naar de gang van zaken in de enclave. De landmacht trok het onderzoek naar zich toe. Plaatsvervangend bevelhebber Van Baal, tegenwoordig plaatsvervangend chef defensiestaf, plakte het stempel vertrouwelijk op de debriefingsgesprekken met de manschappen. Het onderzoeksverslag in het zogeheten debriefingsrapport was vooral een poging tot damage control. Feiten werden weggelaten of summier weergegeven. Van Baal was ook de man die de commandant van de blauwhelmen, overste Karremans, tot verbijstering van iedereen bevorderde tot kolonel en wegpromoveerde naar een rustig baantje in de luwte in Amerika. Ook eiste hij later het hoofd van de plaatsvervangend directeur voorlichting, omdat die te veel de rol van klokkenluider op zich nam. Van Baal is nu de gedoodverfde opvolger van landmachtbevelhebber Schouten.

Sinds dat feestelijke onthaal van de troepen in Zagreb en de publicatie van het debriefingsrapport enkele maanden later worstelt Nederland met Srebrenica. Affaire volgt op affaire. Het ene schandaal volgt op de andere. Rond 11 juli barst ieder jaar weer de publiciteit los, zo weten ze bij Defensie, dan komt de open zenuw weer bloot te liggen. Filmrolletjes die mislukken of verdwijnen, gewiste video's, wangedrag van militairen, rechts-extremisme, voertuigen die over vluchtelingen rijden, de marechaussee die z'n politiewerk niet mag doen en tal van andere soms bizarre zaken.

De betrokken militairen, veteranen nu, voelen zich inmiddels net zo in de steek gelaten als de Indië-gangers van eind jaren veertig. Vooral veroorzaakt doordat de feiten slechts mondjesmaat door de zeef van Defensie sijpelden, hetgeen diep wantrouwen bij de media en anderen veroorzaakten.

De roep om een parlementaire enquete klonk al snel, maar vooral twee partijen hadden er belang bij om op de rem te trappen. Minister Voorhoeve was van de VVD en zijn voorganger die het besluit had genomen om naar Srebrenica te gaan, Ter Beek, was van de PvdA. Een enquete zou ook premier Kok (PvdA) kunnen beschadigen.

Wat ook een rol speelde om de deuren slechts op een kier open te zetten, was dat de Tweede Kamer zelf destijds eind 1993 nadrukkelijk had aangedrongen op een nieuwe, forse missie naar Bosnië. Sindsdien blijven de voorstanders van een parlementaire enqûte in de minderheid, al denkt menigeen binnen de PvdA dat een dergelijk onderzoek uiteindelijk onvermijdelijk zal zijn.

Het aanblijven van Voorhoeve in de jaren na de val van de enclave heeft ervoor gezorgd dat de verwerking van het trauma nauwelijks goed van de grond is gekomen. Hij zinspeelde in 1995 zelf op aftreden, maar deed dat toch niet, omdat daarmee in zijn optiek toegegeven zou worden aan de gedachte dat het bataljon gefaald zou hebben. Gedurende zijn ministerschap zou hij alle externe onderzoeken buiten de deur houden, de VVD blokkeerde pleidooien in deze richting in de Kamer, de coalitiedwang deed de rest. Dat kon ook omdat het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) in september 1996 van Voorhoeve de opdracht had gekregen Srebrenica grondig te onderzoeken. Iedereen wist dat dit vele jaren zou duren en dat dan inmiddels de wonden wel geheeld zouden zijn of verantwoordelijke politici vertrokken.

Ook de media worstelden met het Srebrenica-drama. Er werd naarstig gezocht naar zondebokken - Karremans was favoriet - maar men slaagde er niet in een reëel beeld te schetsen wat daar precies was gebeurd in die julidagen. Dat bleef in nevelen gehuld. Media concentreerden zich op de rol van het Nederlandse bataljon, of anders op de VN, maar de betrokkenheid van de Bosnische autoriteiten bijvoorbeeld is nooit goed onderzocht. Waarom kreeg Dutchbat de verdediging van de enclave in z'n schoenen geschoven terwijl 3000 redelijk bewapende Bosnische militairen op de vlucht sloegen? Ook de Balkan-politiek van de Washington in de zomer van 1995 is nooit goed beschreven.

De boekenkast is inmiddels goed gevuld met Srebrenica-boeken van journalisten en wetenschappers, maar slechts een stijgt erboven uit. 'A Safe Area' van de Amerikaanse journalist David Rohde - die met z'n verslaggeving over Bosnië de Pulitzer prijs won - beschrijft minutieus de val van de enclave.

Klaarblijkelijk konden alleen een niet-Nederlander een noodzakelijke distantie tot het onderwerp opbrengen om Srebrenica in perspectief te zetten.

Pas met het aantreden van VVD'er De Grave op Defensie in 1998 werd een poging gedaan de deksel van de beerput te lichten. Hij gaf een relatieve buitenstaander, de Noord-Hollandse commissaris van de koningin Van Kemenade, de opdracht te onderzoeken of bij Defensie sprake was van een doofpot. Volgens de PvdA-prominent was daar geen sprake van, maar als politieke vriend van premier Kok valt niet met zekerheid te zeggen of zijn conclusie wel voldoende objectief was.

Daarna volgde de parlementaire onderzoekscommissie-Blaauw die zich afvroeg of er witte vlekken waren in het Srebrenica-onderzoek van Van Kemenade. Vervolgens werd de parlementaire onderzoekscommissie-Bakker geïnstalleerd om de besluitvorming rond vredesmissies te onderzoeken. Het zijn halfbakken commissies met halfbakken opdrachten, louter en alleen bedacht om een parlementaire enqûte te voorkomen of zolang mogelijk uit te stellen.

Pas medio volgend jaar zal het Niod met z'n langverwachte, zeer uitvoerige, rapport komen. Dit onderzoek strekt zich wel uit tot alle relevante facetten rond het drama en de afwikkeling daarvan. Niod-onderzoekers zijn ook in Bosnië geweest en zullen ook vluchtelingen en militairen hebben gesproken. Als dit onderzoek wordt gepubliceerd lopen de emoties ongetwijfeld opnieuw hoog op en wellicht dat dan wel een parlementaire enquete van de grond komt.

De combinatie Niod en parlementaire enquete zou heilzaam kunnen werken voor het verwerken van de gruwelijkste massaslachting in de naoorlogse geschiedenis van Europa. Laat voormalige vluchtelingen en Bosnische autoriteiten in het parlement vertellen wat hen is overkomen, laat Dutchbat-militairen hun verhaal vertellen en verhoor de verantwoordelijken onder ede. Wellicht dat door dit proces van loutering 11 juli weer een dag als vroeger kan worden, al zal de genocide van 1995 nooit meer uit de herinnering worden gegrift. Als die enquete zou worden gehouden dan is dat op z'n vroegst de tweede helft van 2001. Dan zijn de zes kinderen die in de eerste 24 uur na de verovering van de enclave in de chaos op de compound van Dutchbat in Potocari werden geboren inmiddels zes jaar oud.

mailIcon print |