*

 
dossier

Archief

Zere plekken in fiscaal stelsel

Ilse Kuiper − 05/02/00, 00:00

In de belastingwetgeving per 2001 zoals die na de stemmingen in de Kamer is vormgegeven, schuilen volgens sommigen grote rechtsongelijkheden. Steven R. A. van Eijck, hoofddocent fiscale economie en financiële planning aan de Erasmus Universiteit legt de vinger op enkele zere plekken.

,,Een sprekend voorbeeld van een maatregel die rechtsongelijkheid in de hand werkt, is de kapitaalverzekering voor studerende kinderen'', vindt Van Eijck. ,,Daarvoor kennen we nu ook een fiscale voorziening, maar die dreigde onder de nieuwe belastingwetgeving verloren te gaan. De voorziening is uiteindelijk terecht hersteld, maar op een manier die niet bevredigt. Zo'n kapitaalverzekering stelt mensen in staat op een fiscaal vriendelijke wijze te sparen voor de studie van hun kinderen. Onder het nieuwe systeem valt de kapitaalverzekering voor studerende kinderen onder de vrijgestelde maatschappelijke beleggingen. Een vreemde plek.''

,,Immers, in plaats van in groen te investeren (een maatschappelijke belegging bij uitstek), beleg ik in de studie van mijn kinderen, die ik beslist niet als een belegging beschouw! Mijn bezwaar is niet alleen dat de revenuen van een dergelijke belegging niet mijn richting opgaan, maar vooral dat de ruimte om te beleggen in de overige vrijgestelde vermogensbestanddelen wordt aangetast. Iedereen mag immers straks voor maximaal 100 000 gulden beleggen in vrijgestelde vermogensbestanddelen. Je betaalt dan geen inkomstenbelasting over het rendement. Besluit je voor 40 000 gulden in de studie van je kinderen te investeren, dan mag je dus nog maar voor 60 000 gulden maatschappelijk vrijgesteld beleggen! Het is niet duidelijk waarom de kapitaalverzekering voor studerende kinderen bij 'maatschappelijke beleggingen' is ondergebracht.''

,,De verdere uitwerking is nog vreemder. Het bedrag dat maximaal belastingvrij gespaard mag worden van 50 000 gulden geldt niet per kind, maar per belastingplichtige. Dit heeft onwenselijke consequenties. Een getrouwd ouderpaar met een kind mag twee maal die 50 000 gulden belastingvrij sparen voor zijn kind. Een gescheiden moeder die drie kinderen opvoedt, mag in totaal maximaal 50 000 gulden voor de studie van haar drie kinderen sparen. Dat is nog geen 17 000 gulden per kind. Hierin schuilt een grote rechtsongelijkheid. De kapitaalverzekeringsvrijstelling voor studerende kinderen had per kind kunnen en moeten gelden.''

Ook de aanpak van het eigen huis en de hypotheek is een voorbeeld van maatregelen met op het eerste gezicht onvermoede effecten. Eigen-woningbezitters hebben met een beetje handigheid de waardestijging van hun huis driedubbel rendabel gemaakt in de afgelopen decennia. Het verschil tussen de oorspronkelijke aanschafprijs en de gestegen waarde werd tegen een historisch lage rente beleend. Die rente was in het verleden nog aftrekbaar ook. Het geld werd bijvoorbeeld geïnvesteerd in aandelen. Die rezen vervolgens de pan uit en ook die vermogensgroei werd niet belast. Het is terecht dat hier al leen tijdje geleden een stokje voor werd gestoken. De hypotheekrente is nu alleen nog maar aftrekbaar als met de lening een woning wordt aangeschaft, onderhouden of verbeterd.

Het kabinet wilde het heilige huisje nog meer op zijn grondvesten doen trillen. Dat is gelukt. De hypotheekrente-aftrek is nu gemaximeerd tot 30 jaar. Iedereen mag dus maximaal 30 jaar hypotheekrente aftrekken vanaf 1 januari 2001.

Van Eijck: ,,Daar ligt iemand van 70 vermoedelijk niet wakker van. Echter, een jong stel dat op 25-jarige leeftijd een huis financieert met een hypothecaire lening mag de rente over deze lening vanaf 55-jarige leeftijd niet meer aftrekken. Vermoedelijk zitten ze dan op de top van hun inkomen en dan is zo'n aftrekbeperking een koude douche. Bovendien zullen hypotheekverstrekkers rekening houden met het na 30 jaar niet langer meer mogen aftrekken van de rente en dus (gedeeltelijke) aflossing eisen. De leencapaciteit zal dalen. Banken zullen terughoudender worden met aflossingsvrije financieringen. ''

Door veel critici wordt de heffing voor vermogende particulieren als te mild ervaren. Van Eijck vindt de vermogensrendementsheffing daarentegen een 'kleine stap in de goede richting'. Van Eijck: ,,Maar een echte vermogenswinstbelasting zou wel leiden tot een rechtvaardiger situatie. Het is wel waar wat Vermeend zegt dat vermogende particulieren nu geen cent inkomstenbelasting betalen over hun vermogen, maar hij vergeet daarbij dat zij wel vermogensbelasting betalen. Die verdwijnt straks. Dus als je een reële vergelijking wilt maken, moet je de huidige vermogensbelasting en inkomstenbelasting over vermogen, vergelijken met de toekomstige rendementsheffing over vermogen. Die vergelijking raakt echter kant noch wal. Een wetgever dient uit te gaan van wat maatschappelijk als wenselijk wordt ervaren en daar de belastingwetgeving op af te stemmen. Dan is het niet erg sterk te wijzen op een toekomstige verbetering ten opzichte van de huidige gebrekkige situatie. Het echte effect van de heffing over vermogen vanaf 1 januari 2001 is dat rijken tegen een gematigd tarief hun vermogensgroei fiscaal mogen afrekenen. Daarvoor is geen maatschappelijk draagvlak. Het is jammer dat deze kans niet is aangegrepen om een gematigd progressief tarief (een hogere heffing naarmate het vermogen groter is) in te voeren. Waarom betaal je straks meer dan 50 procent aan belasting over de top van je arbeidsinkomen en slechts 1,2% over de waarde van je eigen vermogen?''

mailIcon print |