*

 
dossier

Archief

Wie z'n talen spreekt zal veel verdienen

Manfred Horstmanshoff − 06/01/00, 00:00

De scholieren in het studiehuis hebben het te druk en moeten daarnaast nog 'vakken vullen' om hun sociale leven te financieren. Een taal schrappen uit het verplichte vakkenpakket biedt op korte termijn soelaas, maar leidt in de toekomst tot culturele verschraling.

De nieuwe maatregel van staatssecretaris Adelmund van onderwijs om de studielast van middelbare scholieren tijdelijk te verlichten door een moderne vreemde taal uit het verplichte pakket te schrappen -één van de drie voor vwo en één van de twee voor havo- raakt niet alleen de Nederlandse culturele identiteit, maar ook de economie in het hart.

Onze cultuur is gevormd in wisselwerking met die van de ons omringende landen. Niet alleen kennis van de Engelse en Amerikaanse taal en cultuur, maar ook van de Franse en Duitse zijn voor Nederlanders essentieel. Het onderwijs in de moderne vreemde talen moet daarom eerder versterkt worden dan verzwakt.

Handelsrelaties en culturele betrekkingen zijn van oudsher nauw verweven. Annie Romein-Verschoor heeft in een prachtig essay de Nederlandse cultuur eens gekarakteriseerd als 'slib en wolken' (1947). Slib is het sediment dat de rivieren van het Europese continent, die in Duits- en Franstalige gebieden ontspringen, in onze delta achterlaten. Van overzee drijven de wolken aan en symboliseren daarmee onze Atlantische oriëntatie: de Engelssprekende gebieden. Wie het slib of de wolken weglaat, mist het wezenlijke van de Nederlandse cultuur.

Internationale ervaringen leerden mij dat een Nederlander met redelijke kennis van Frans, Duits en Engels zich regelmatig als bruggenbouwer of beurtschipper tussen de verschillende nationale tradities van onderzoekers verdienstelijk kan maken. Het zou toch vanzelfsprekend moeten zijn dat een Nederlands geleerde in een Frans gezelschap in het Frans, en in een Duits gezelschap in het Duits communiceert. Het zou overbodig moeten zijn aan te geven dat het wenselijk is dat diezelfde geleerde met landgenoten gewoon in de eigen taal communiceert. Toch zijn er Nederlanders die op een wetenschappelijke bijeenkomst die uitsluitend door Nederlandstaligen wordt bijgewoond, Engels spreken, en zich daarmee toch een beetje belachelijk maken.

Wie de eigen taal niet meer voor wetenschappelijke doeleinden wenst te gebruiken, degradeert haar daarmee tot een tweederangs voertuig van gedachten. Alleen al de taak die universiteiten hebben voor de opleiding van eerstegraads leraren, zou een voortdurende stimulans moeten zijn om consequent goede Nederlandse equivalenten voor vakjargon te zoeken.

Frans, Duits en Engels zouden in het vwo zes jaar lang verplicht moeten zijn. Vooral omdat in de universitaire praktijk blijkt dat docenten zich, noodgedwongen, aanpassen aan het laagste kennisniveau op het gebied van de moderne vreemde talen. Men zou van vwo'ers, onverschillig hun vakkenpakket, mogen verwachten dat zij in staat zijn met behulp van een woordenboek Duitse en Franse teksten te lezen. In de praktijk blijken Frans en Duits soms moeilijker dan oud-Grieks.

Ieder jaar worden de Franse en Duitse teksten die ik aan studenten voorleg moeilijker, terwijl het aantal studenten dat er vlot mee overweg kan zienderogen afneemt. Dat is een onaanvaardbare verschraling. Veel van de oudere, maar zeker niet verouderde, literatuur is in Duits en Frans geschreven. Nog altijd worden toonaangevende artikelen en monografieën in het Duits en Frans gepubliceerd. Wie op een Engelse uitgave wil wachten mist waarschijnlijk de deelname aan het wetenschappelijk debat.

Sinds jaar en dag krijgen studenten geschiedenis het advies hun deficiënte kennis van Frans en Duits bij te spijkeren. Steeds vaker wordt dit advies in de wind geslagen. Studenten denken wel een inhaalslag te kunnen maken wanneer dit in een later stadium nodig blijkt te zijn. Maar later is meestal te laat. Voor degenen die geen Franse of Duitse teksten kunnen lezen, blijven zeer veel bronnen en secundaire literatuur een afgesloten gebied. Anderen moeten maar eens eerlijk zeggen in hoeverre kennis van Frans en Duits voor hun vakgebied noodzakelijk of gewenst is.

De kost gaat voor de baat uit. 'Nu vakken vullen om onze zakken te vullen' is een argument dat voor de korte termijn veel leerlingen aanspreekt. Daarom is er geen tijd voor een brede oriëntatie en worden schoolvakken die ogenschijnlijk minder winst opleveren als 'ballast' overboord gezet. In de meeste gevallen zal er op de langere termijn echter sprake zijn van verlies.

Wanneer iemand in het Frans bijvoorbeeld een order wil plaatsen, is het niet ondenkbaar dat de receptionist van het betreffende bedrijf in paniek de hoorn op de haak gooit. Aan talenkennis is dus geld te verdienen. Misschien klinkt dit argument beter in de Nederlandse koopmansoren dan de beproefde verhalen over culturele tradities.

Het is te hopen, want blikvernauwing kost geld en goed.

Manfred Horstmanshoff is docent Oude Geschiedenis aan de Universiteit Leiden en voorzitter van het Nederlands Klassiek Verbond

mailIcon print |