Acht auteurs geven deze zomer antwoord op de volgende belangwekkende vragen: Zo plotseling, wie had dat gedacht? Wat zeg ik tegen de kapper als hij vraagt: Hoe wilt u het? Is het strijken van een overhemd een kunst? Wat is het verschil tussen juli en augustus? Sandalen? Dat wordt lastig. Wat deed ik op 16 mei 1973? Hoe koop ik een hoed? Wat weet de rivier hiervan en wat de boom?
Ik woon in een stil straatje aan de rand van een dorp waar nooit iets gebeurt. Ja, tweehonderd jaar geleden werd hier gevochten tussen Fransen, Russen, Engelsen en Hollanders, maar wij weten niet meer waarom dat was en niemand heeft zin om het over te doen. Fietsers steken hun hand uit, automobilisten stoppen voor zebrapaden, en als mijn oom Valeriaan, de kapper, vraagt: 'Hoe wilt u het?', zeggen wij: 'Graag', want hij is tweeënzeventig en kent slechts één model. Wij reizen niet graag, maar als wij reizen herkennen wij tot in de sloppen van Den Helder een dorpsgenoot op mijlen afstand aan zijn kapsel. Een jaar of dertig geleden kalkte een kwajongen SAAI DORP op de gevel van het raadhuis – hij is met pek overgoten en veren beplakt het dorp uitgejaagd. Zo gaat het hier en dat bevalt ons.
Iedere ochtend tegen elven loop ik het dorp in om naar het carillon te luisteren, en ik ben niet de enige. Langs alle doodwegen komen de mannen naar de linden bij de kerk. Wij genieten van de volkswijsjes die uit de lucht komen tuimelen, aarzelend, als gezongen door een kind dat het liedje net geleerd heeft. Soms is de lucht rond de kerktoren zo blauw, dat je de klanken zien kunt. Ik overdrijf niet. Wij overdrijven niet. Als de klokken zwijgen, nemen wij het woord. Bedaard bespreken wij de doden en de tijd waarin zij leefden. Daarna leveren wij commentaar op de artiesten die naar ons dorp komen om te schilderen. Ook zijn er zaken die wij niet bespreken en wat niet verteld wordt, is niet gebeurd.
Gisteren kwam oom Valeriaan niet naar de kerk. Ik maakte mij ongerust – hij heeft nooit klanten rond de klok van elf, zijn klanten staan onder de linden – en liep nog voor het carillon was uitgespeeld zijn zaak binnen. Ik was verbaasd. In de stoel zat een man met een donkere huid en gitzwart haar, dat extra in het oog sprong door de dikke laag witte scheerzeep die op zijn kaken lag. Oom Valeriaan was aan het scheren! Wij groetten en zwegen vervolgens tot de klant vertrok. Oom Valeriaan liet hem een kwartje betalen: 'De laatste keer dat ik iemand schoor rekende ik drie dubbeltjes en onze btw is drastisch gedaald.'
Ik nam plaats in de stoel.
'Arme donder. Een asielzoeker. Hoe wilt u het, neef?'
Wij kennen geen verlangens in ons dorp, maar bescheiden wensen worden getolereerd. Dit was een uitgelezen moment om er een in vervulling te doen gaan.
'Scheren', zei ik. 'Dat ging u nog goed af, zag ik.'
'Ik heb een uitstekende opleiding genoten.'
'Pijnlijk voor uw proefpersonen, neem ik aan.'
Oom Valeriaan sloeg mij een kapmantel om: 'Wij oefenden op een ballon. Pang is bloed. Weet je, neef, Nederland is niet vol. Nederland beweegt te veel – dát is het.'
Oom Valeriaan maakt zich zorgen om de wereld. Wij niet. Wij hebben een veel te hoge hypotheek – zo hebben wij slechts één zorg om op te bouwen. Trouble concentration, zoals het katern economie het noemt. Een probaat middel tegen de waan van de dag. Oom Valeriaan goot heet water in een kom en doopte zijn kwast erin.
'Als iedereen nou es gewoon bleef waar-ie was', zei hij, 'dan konden er nog gemakkelijk twee miljoen armoedzaaiers bij. Maar dat woont in A en werkt in B, en is getrouwd met C en doet het met D, die getrouwd is met E, die het doet met F, behalve op vrijdag, want dan gaat F naar G en H, de kinderen uit zijn huwelijk met I, en zo sjeest dat door het land in tweede auto's naar derde huisjes te J en ondertussen joggen ze naar de drogist om Viagra.'
Hij nam het scheermes en scherpte het aan. Legde het fonkelend klaar. 'Nederland is niet vol, neef, Nederland is gescheiden.'
Oom Valeriaan nam mij bij de neus, trok mijn hoofd naar achteren en begon mij in te zepen. Een aangename ervaring. 'Ik mocht vroeger nooit de eendjes voeren in de zomer. Want dan hoeven ze zelf geen eten meer te zoeken, zei moeder, en dan gaan ze zich vervelen en dan gaan de woerden zitten klieren op de wijfjes. Het is in dit land al dertig jaar zomer, neef, en we worden al dertig jaar gevoerd.' Hij zette het mes op mijn keel.
'Doet u voorzichtig?'
'U bent het, die voorzichtig moet zijn, en dat is moeilijker dan u denkt. Ik heb diploma's, maar voor stilzitten, neef, bestaat geen opleiding.' Het mes gleed omhoog langs mijn kaak. Wat doen we? Op de wind, op de duim, of op de pruim?'
'De duim', zei ik, het leek me aantrekkelijk een onderpand te hebben. Hij mijn strot, ik zijn duim – in een snoekenreflex.
Oom Valeriaan stak zijn duim in mijn mond en spande mijn linkerwang: 'Weet je wat ze moeten doen?'
'Nee', zei ik, met een stem die klonk alsof ik door een schoorsteen riep.
'Geen cent meer aan wegenbouw uitgeven. Geen nieuwe wegen, geen nieuwe tunnels, laat defecte stoplichten defect, vul geen gaten in de weg, maak openbaar vervoer onbetaalbaar, verbied toerisme per vliegtuig, breng schepen tot zinken voor de uitging van de haven – zo wordt reizen weer een avontuur en besparen we miljoenen en ontnemen iedereen de lust om voor zijn werk op pad te gaan. Da's één.'
'Maar', loeide ik, want de duim zat nog in mijn mond, 'de mensen moeten toch naar hun werk kunnen gaan!'
'Welnee! Tachtig procent kan thuiswerken! En het grappige is dat de mensen die niet thuis kunnen werken meestal in de buurt van hun werk wonen, en de mensen die wel thuis kunnen werken de meeste kilometers afleggen om dat nu juist niet te doen. Laat maar dichtslibben die wegen, laat maar overwoekeren door zevenblad – tuinmansverdriet wordt werkmansvreugd. De miljarden die we besparen investeren we in dat thuiswerken. Iedereen krijgt al een computer van de regering, zo heb ik gelezen, en daar bovenop doen we een subsidie om slaapkamers of garages om te bouwen tot werkplek. Die garages zijn dan toch overbodig, die kunnen weg. Ik heb al vijftig jaar uitstekende ervaringen met thuiswerken. Het bespaart op kantoren, crèches, naschoolse opvang, psychiaters, relatietherapeuten, echtscheidingen, woningen voor gescheiden types, want het is zó gezellig.'
'Maar is dat politiek haalb...'
Oom Valeriaan liet mij niet uitspreken. Dat doet hij nooit. 'Politiek?', sprak hij snuivend. 'Politiek is niks dan pleisters plakken op een lijk. We moeten het zelf doen, we moeten eisen dat we thuis mogen werken. Je weet niet wat je overkomt! Je kunt je eigen tijd indelen, je wordt daardoor gelukkiger, werkt daardoor beter, je luncht in je eigen tuin, met je eigen man of vrouw, met je eigen kinderen, zie je die ook es, en als je zo oud bent dat je ze gemist hebt kun je je kleinkinderen op de thee vragen, leer je die tenminste wel kennen, je praat over alles wat er gaande is in de buurt en het gezin, je kunt tussen neus en lippen door nog een beetje opvoeden, kan ook geen kwaad, en als de kinderen weer naar school zijn, het schooltje om de hoek, daar kunnen ze alleen heen, want alle buren kennen ze en letten op en er rijden geen auto's meer, dus als die kinderen weer naar school zijn kun je even een potje vrijen en dan relaxed weer aan het werk. Alles is beter.'
Oom Valeriaan nam woorden als 'vrijen' in de mond met het gemak waarmee een ander bloemen schikt. Wij hielden niet van zijn taal, maar wel van hem. Ik keek naar zijn oude gezicht in de spiegel. Niet naar het mijne. Met een kapmantel om is het of je hoofd van je lichaam is losgekomen. En zo voel je je ook, als oom Valeriaan tegen je praat. Kappers en spiegels – wat rechts is wordt links. Kon dat mijn ooms politieke voorkeur verklaren? Zouden kappers hun klanten herkennen op straat, als links weer rechts geworden is?
'Maar mensen gaan graag naar hun werk', wierp ik tegen, 'voor de gezelligheid. Om andere gezichten te zien. De kout met collega's.'
'Niks collega's! Altijd hetzelfde gezeik! Ik heb inmiddels zovele miljarden bespaard, er kan ook nog wel wat subsidie af voor cafés en buurtwinkels. Op iedere straathoek komt een klein winkeltje met achterin een biljart en een bar, in zuidelijke landen zie je zoiets nog wel eens, daar kunnen buren elkaar eindelijk leren kennen en praten over wat werkelijk ter zake doet, en die winkeltjes worden uitgebaat door een buurtbewoner of een buurtbewoonster, als het even kan een ouwe. In zulke winkeltjes jat je niet als kind, want de oude mevrouw Tondrov die het zaakje drijft is een vriendin van je, ze hoort bij de buurt. Zo besparen we enorm op anti-diefstalcamera's. Jatten doe je bij de supermarkt in de wijk verderop. Maar die bestaat niet meer, die is verdwenen, daar drijft meneer Vermeulen een winkeltje en de kinderen daar vinden het niet goed dat je bij hem jat, want hij is hun vriend.'
Oom Valeriaan trommelde met vlakke handen een welriekende lotion mijn poriën in en nam de mantel van mij af. Hij was niet meer te stuiten: 'In ieder dorp en iedere stad wordt een vierkant getrokken op de kaart. Binnen dat vierkant wordt een school gesticht. Het kost bijna niks, in ieder geval een stuk minder dan die godgeklaagde misdadige schaalvergroting van tien jaar geleden, als je bedenkt hoeveel definitief afgekeurde leerkrachten dáár weer aan de slag willen! En het bespaart enorm op hekwerk, want niemand die iets zal vernielen aan het schooltje van juf Kbiri. Zij is immers een van ons! En wanneer zou je je slag kunnen slaan? Je speelt met de buurtkinderen, die op dezelfde school zitten, je moet uitkijken voor de scherpe ogen van mevrouw Tondrov en meneer Vermeulen, en juf Kbiri woont naast de school. Ze lullen alles door wat je doet! En trouwens, uit de gezellige gesprekken met je moeder en je vader tijdens de lunch en na schooltijd heb je donders goed begrepen wat je wel en niet kunt maken in het buurtje...'
'En denkt u, oom Valeriaan', vroeg ik en legde een kwartje op de toonbank, 'werkelijk dat dat haalbaar is?'
Oom Valeriaan keek mij aan met een mondje als de loop van een geweer, de rimpels in zijn gezicht leken daar samen te komen – alsof opeens alle wegen naar Rome leidden. 'Wil je dat woord nooit meer gebruiken in mijn aanwezigheid?' vroeg hij. 'Dit land is kapotgegaan aan het woord 'haalbaar' – de politiek, de opvoeding van de kinderen, de musea, het voetbal. Weet je wat ze in Nederland doen als het niet haalbaar blijkt om de mensen uit te leggen hoe een spoorboekje werkt? Dan laten ze alle treinen op het hele uur vertrekken! Denk daar maar eens over na.'
Langs de stille zuidelijke doodweg liep ik naar huis, bij de brievenbus ging ik linksaf ons straatje in: 'Vandaag gepost, morgen bezorgd.' Ja ja, bezorgd waar de post blijft, zullen ze bedoelen. Ik dacht aan mijn dochter, die steeds meer brieven schrijft en ontvangt, ik dacht aan mijn zoon van zestien, die nog geen maand geleden na het avondeten aan mij vroeg: 'Vader, zijn alle dorpen saai als het onze?' Die nacht lag ik zeker een uur te woelen voor ik in slaap viel en de volgende ochtend woeien de beursberichten in de krant met alle winden mee. Mijn vrouw en kinderen genoten een laat ontbijt.
'Wat kijk je somber!' riepen ze in koor. 'Zijn er problemen in het dorp?'
'Nee, nee', haastte ik mij te zeggen. 'Integendeel. Weten jullie waarop oom Valeriaan oefende toen hij leerde scheren?'
'Schapen?' raadde mijn dochter.
'Lijken?' giste mijn zoon.
Hun fantasie was weer eens leuker dan de waarheid. Zo moest het maar blijven. Wij hebben hier niet graag dat de waarheid leuk is.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.