Een paar maanden geleden werd het voorstel gelanceerd om asielzoekers slechtbetaalde, maar zware arbeid te laten verrichten, om ze na gedane arbeid weer het land uit te zetten. Ik sprak toen de verwachting uit dat het niet lang zou duren totdat de asielzoekers een bijzondere keuze zou worden aangeboden. De keuze namelijk om hetzij borden te gaan wassen, hetzij soldaat te worden om aldus het nijpende personeelstekort bij onze krijgsmacht op te lossen.
Met het voorstel van het Instituut Clingendael om ook buitenlanders toe te laten tot de Nederlandse krijgsmacht komen we aardig in de richting. Het argument van Clingendael is, dat het bij vredesoperaties gaat om de verdediging van universele normen en waarden en dat daarom de nationaliteit van de vredessoldaat irrelevant is geworden. Kennelijk meent Clingendael dat de klassieke taak van de verdediging van het Nederlandse en bondgenootschappelijke grondgebied wel een zaak is die uitsluitend aan Nederlanders toekomt. Hier wringt het voorstel van Clingendael dus al pijnlijk.
De Nederlandse krijgsmacht heeft nu eenmaal een dubbele taak, zowel klassieke verdediging als vredesoperaties en crisisbeheersing. Wanneer de krijgsmacht in toenemende mate op peil wordt gehouden door buitenlanders, betekent dit dat in geval van echte nood juist die buitenlanders aan de kant moeten blijven staan en ons leger al is uitgeschakeld voordat de strijd begonnen is.
Natuurlijk viel politiek Nederland massaal over het voorstel van Clingendael heen. En niet geheel ten onrechte, maar op karakteristieke wijze omzeilde men daarbij de kern van de zaak door te doen alsof het slechts om een wervingsprobleem gaat dat door attractieve spotjes en betere arbeidsvoorwaarden op te lossen is. Wanneer later de geschiedenis van de relatie tussen Nederland en zijn krijgsmacht geschreven wordt, zal het voorstel van Clingendael daarin, net zoals de afschaffing van de dienstplicht, een cruciale fase markeren.
Ooit huurden de rijke burgers van de Republiek de armste sloebers van Europa in om plaatsvervangend hun vrijheidsstrijd tegen de Spaanse overheersers te voeren. Pas in de negentiende eeuw groeide langzaam, samen met de ontwikkeling van Nederland tot nationale staat, de idee dat het een voorrecht en de dure plicht van iedere burger is om de politieke gemeenschap, waarvan hij deel uitmaakt, te verdedigen. Met de onttakeling van Nederland als nationale staat als gevolg van het proces van Europese integratie, dat samenviel met het wegvallen van echte dreigingen door het einde van de Koude Oorlog, werd eerst de dienstplicht afgeschaft, en wordt nu dan een eerste stap gezet naar een huurlingenleger.
Nog nooit is in Nederland de politieke consensus over de taken van de krijgsmacht zo groot geweest. Van VVD tot en met GroenLinks wordt geaccepteerd dat de krijgsmacht een instrument is voor het voeren van een activistisch buitenlands beleid ten dienste van universele waarden.
Enthousiast formuleren onze politici hoge ambitieniveaus, als uitdrukking van de waarden waar wij als politieke gemeenschap voor staan. De versplintering van Nederland als politieke gemeenschap blijkt hieruit dat diezelfde politici er niet in slagen individuele Nederlanders ervan te overtuigen dat zij aan de publieke zaak een bijdrage moeten leveren. Dat geldt niet alleen voor de krijgsmacht, maar ook voor andere publieke goederen, onderwijs en zorg. Onderwijzers uit Duitsland en België, verpleegsters uit de Filippijnen. In die zin ademt het Clingendael voorstel de geest van de tijd.
Overigens beschikt Nederland allang over huursoldaten, die voor ons de kastanjes uit het vuur halen. Dat is natuurlijk het Amerikaanse leger. Uit nationale schaamte en verlegenheid spreken we daarover liever niet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.