Het boek 'Grijs verleden' van de historicus Chris van der Heijden ontving zondag in het televisieprogramma Buitenhof veel kritiek.
Het ging daarbij voornamelijk over fout en goed in bezettingstijd. Vaak wordt in deze kwesties de vraag gesteld: 'hoe kon het toch gebeuren dat de Nederlanders, zonder in te grijpen, 140000 Joden lieten omkomen.' In dit verband wil ik toch een incident naar voren brengen dat, als het over dit onderwerp gaat, steeds op mijn netvlies terugkomt.
Op 23 november 1940 werden alle joden uit hun ambt gezet. Zo ook het joodse hoofd van de O.L.S. in toenmalig Beneden-Haulerwijk. In het voorjaar van 1941 gingen de heer en mevrouw Van Hasselt afscheid nemen van kennissen en collega's omdat ze vertrokken. Omdat mijn vader tot die categorie behoorde, kwamen ze ook bij ons thuis.
Als jongetje van bijna zeven mocht je niet bij grote mensen zitten, daarom werd ik naar de achterkamer verwezen. Wel liep ik naar de kapstok om te zien hoe een echte joodse ster er uitzag. (Zij waren de enige Joden in Haulerwijk). Wat er in de voorkamer besproken werd kon ik niet verstaan, maar er werd nogal heftig gediscussieerd. Bij het afscheid in de gang keek ik nieuwsgierig door de kier van de deur. En ik zag mijn moeder 'gek' doen. Ze lag op de knieën en hief de armen met gevouwen handen op naar de gasten en bad, ja smeekte hen: 'Ga niet, het wordt uw dood, u moet onderduiken, als u zelf niets weet zoeken wij wel iets'.
Er werd nog van alles bij gehaald over nazi's, die sluwe en gemene Hitler en ook dat ze als gezin op verschillende onderduikadressen terecht zouden kunnen komen, maar dat weet ik allemaal niet meer zo precies. Wel dat smeken om niet te gaan, waarop de Van Hasselts bedankten voor moeders bezorgdheid en zeiden dat het zo'n vaart niet zou lopen.
Later hoorde ik dat een eventueel uit elkaar vallen van het gezin in deze wat passieve houding ook een rol zou hebben gespeeld. Op 9 februari 1943 werden vader en moeder Van Hasselt met hun dochters van 14 en 10 jaar vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Drie dagen later zijn ze vermoord.
De vraag is: waarom namen de Van Hasselts de smeekbede niet ter harte. Verdrongen ze de gruwelijke werkelijkheid? Hoeveel meer Joodse Nederlanders dachten dat het niet zo'n vaart zou lopen? En hoeveel meer moeders-en-Van Hasselts-situaties hebben er plaats gevonden? Het lijkt er op dat aangevallenen (Joden) aanvankelijk thans, soms (tegen beter weten in?) voor grijs kozen. En zo zal het altijd wel zijn: op de flanken zitten de goeden en de fouten, maar het grootste deel is grijs en vormt de middenmoot. Zelfs in de categorie slachtoffers?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.