De jaren vijftig hebben zich sluipend als nationale mythe in ons midden genesteld - gedragen door een stille meerderheid van babyboomers. 'Teken van een groot onbehagen en van een groot verlangen: een verlangen naar eenvoud.'
Historicus Niek van Sas, hoogleraar Nieuwste Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, hield gisteren de dertiende deugdenlezing, georganiseerd door de UvA, uitgeverij Meulenhoff en Trouw: De permanente heruitvinding van eenvoud.
Kleinheid en verkleining als de ultieme grootheid
De hele natie fietste, liefst tegen de wind in
Al eeuwenlang circuleert er een catalogus van deugden die kenmerkend voor de Nederlander zouden zijn en waarover Nederlanders én buitenlanders voortdurend in gesprek zijn geweest. Zo'n lijst van oud-Hollandse hebbelijkheden is tastbaar en soms ook controleerbaar: spaarzaamheid kun je meten en op zindelijkheid kun je je zintuigen loslaten. Door het discours over die deugden op te vatten als een traditie en die in de tijd te volgen, kunnen we wellicht greep krijgen op het proces van de Nederlandse identiteitsvorming.
Die identiteitsvorming vat ik op als een meer of minder bewust gebruiken, omvormen, herschikken van historisch materiaal voor allerhande eigentijdse doeleinden. Nationale identiteiten worden onophoudelijk opnieuw gedefinieerd en uitgevonden. Dat is geen monolineaire ontwikkeling die een bepaalde richting uitgaat, laat staan naar een bepaald doel toewerkt, of dat nu een Goddelijk heilsplan is of de geseculariseerde versie daarvan, het vooruitgangsgeloof. Identiteitsvorming is integendeel vol wisselvalligheden en onvoorspelbaarheden, ups en downs, waarin perioden van snelle verandering en omslag - fasen waarin tradities worden (her)uitgevonden - worden afgewisseld door lange perioden waarin er nauwelijks iets verandert en tradities soms stilletjes wegsterven in de mist der tijden.
Deugden kun je op vele manieren indelen. Problematisch is het onderscheid tussen universele en vaderlandse deugden. Dat toedichten van bepaalde deugden aan een bepaald vaderland draait immers maar al te vaak uit op een hebberig soort chauvinisme waarbij de eigen deugden even sterk worden uitvergroot als die van andere landen verkleind.
Ik wil het simpel houden: uit een wasmand vol vaderlandse deugden - een ratjetoe van bonte en witte, grote en fijne was - pluk ik de grootste en de witste van alle deugden: de eenvoud. Eenvoud gold vaak als een vaderlandse hoofddeugd, een kapstok waaraan allerlei andere deugden konden worden opgehangen. Eenvoud was voor velen in heel verschillende perioden tegelijk kenmerk en criterium van de Nederlandse beschaving. Eenmaal uit de wasmand gehaald, moet de eenvoud gewassen, gedroogd, gestreken en opgevouwen worden, om tenslotte netjes op haar plaats te worden gelegd in de Hollandse linnenkast. En dat proces van wassen tot opvouwen zal zich in de loop der eeuwen enkele malen herhalen: de heruitvinding in wisselende omstandigheden van eenvoud als typisch Nederlandse deugd.
In de Nederlandse deugdenleer is eenvoud een kardinale deugd, maar ook het grondprobleem: want eenvoud was tegelijk botheid en boersheid en daarmee eerder ondeugd dan deugd. Geen teken van beschaving dus maar juist van een typisch Nederlands gebrek daaraan. Erasmus heeft de Hollanders met hun neus op dit probleem gedrukt. In zijn adagium Auris Batava, het Bataafse oor, ofwel de Hollandse smaak, besprak Erasmus een epigram van de klassieke schrijver Martialis, die de Bataven had afgeschilderd als lomp, boers en onbeschaafd. Erasmus zette dit verwijt op zijn kop en maakte er een geuzennaam van, een soort lof der botheid. Op speelse wijze toverde hij boerenslimheid om in humanistische geleerdheid. Hiermee zette hij tegelijk zichzelf en zijn land van herkomst op de culturele kaart van Europa. In vergelijking met de overbeschaafde Italianen onderstreepte hij de echte humanitas van de Bataven, hun sobere stijl van leven en hun eenvoudige inborst. Schrijvend in de vroege 16de eeuw zette Erasmus hiermee de trend voor het denken over de Nederlandse identiteit.
Een eeuw later, in de jonge vrijgevochten Republiek, heet 'eenvoudicheyt' een vast attribuut van de Hollanders, waarbij meteen de vraag rijst of het hier gaat om een beschrijving van de werkelijkheid of om een norm die de Hollanders werd voorgehouden. Het zou immers best kunnen dat die norm des te nadrukkelijker in herinnering werd geroepen naarmate de realiteit van de Gouden Eeuw bruisender, avontuurlijker en dus juist minder eenvoudig werd. In de letterkunde van de vroege 17de eeuw heette de 'oude eenvoudicheyt' onder druk te staan door de luidruchtige, uitheemse fratsen van de Spaanse Brabanders, de Zuidnederlanders die en masse naar het vrije Noorden waren getrokken om daar het wonder van de Gouden Eeuw in de steigers te zetten. En als in het midden van de 17de eeuw de rijkdom massief heeft toegeslagen, komen zowel wereldlijke als kerkelijke autoriteiten met richtlijnen tegen een al te opzichtig consumeren.
De eenvoud als Hollandse beschavingsnorm verbond verschillende cultuurbegrippen: cultuur met een grote C (al zal ik me hier niet wagen aan de vermeende eenvoud van de realistische Hollandse schilderkunst), cultuur in sociologische zin (verwijzend naar een samenleving die meer gelijkheid kende dan omringende landen) en cultuur in antropologische zin (de eenvoudige leefwijze van de doorsnee Hollander). Eenvoud is ook een norm als het gaat om het gebruik van de landstaal die, vinden schrijvers als Simon Stevin en Hugo de Groot, vooral ongekunsteld, treffend en to-the-point moet zijn, passend bij een burgerlijke republiek. Daar hoort geen omhaal van woorden.
Eenvoud typeert ook de politieke stijl van die Republiek. Talloos zijn de getuigenissen van buitenlandse waarnemers dat de Nederlandse regenten zich ook werkelijk naar die norm gedragen. Wie kent niet het verhaal over de Nederlandse onderhandelaars bij het Twaalfjarig Bestand die, tot verbijstering van hun Spaanse gesprekspartners, op de kant van een vaart hun meegebrachte boterhammen zitten op te eten. De Spanjaarden begrepen meteen dat tegen zoveel eenvoud niet viel op te boksen. Spreekwoordelijk was ook de eenvoud van Johan de Witt, de machtigste man van de Republiek in zijn tijd, die te voet door Den Haag ging en maar één knecht had.
In de 17de eeuw was eenvoud een gemeenplaats in het repertoire van onderscheidingstekenen die de Hollanders zichzelf toekenden. In de 18de eeuw kreeg ze echter een nieuwe, veel ideologischer connotatie. Het wonder van de Gouden Eeuw is dan voorbij en de 18de-eeuwse Nederlander gaat krampachtig op zoek naar de oorzaken van het verval. Ten diepste zoekt hij die op moreel terrein. De politieke en maatschappelijke elite heeft zichzelf in wellust en weeldezucht verloren, de deugden van het voorgeslacht verzaakt en daarmee het zedelijk fundament van de Republiek zelf ondermijnd. Dit discours van ondeugd, weelde en verval werd met een naar zelfkastijding zwemende wellust gevoerd. Al doende vond Nederland zichzelf opnieuw uit. Na 1750 kan men spreken van een vernederlandsing van de Verlichting, waarbij universele inzichten werden gekoppeld aan typisch vaderlandse vraagstukken. Ook de waslijst van oud-Hollandse hebbelijkheden werd dienstbaar gemaakt aan deze nationalisering van de cultuur. Alle deugden werden kritisch tegen het licht gehouden en eenvoud bleek andermaal de witste van alle.
Wat eerder een misschien maar halfbewuste traditie was geweest, werd nu omgevormd tot een goed doordachte, bewust beleefde en zelfs gedreven ideologie. Typerend voor de tweede helft van de 18de eeuw is dat nationale culturen zich van elkaar gaan onderscheiden, hun eigen middelpunt zoeken en op hun eigen mérites beoordeeld willen worden. Positief geformuleerd heet dit cultuurrelativisme, maar die nevenschikking van culturen betekende tegelijk de verabsolutering van het eigene, van typisch nationale waarden en kenmerken, met alle gevolgen en gevaren van dien.
Verlichting was in veel opzichten vereenvoudiging: in de kunst, in de wetenschap en in het leven zelf. Maar wat een natuurwet was die overal moest gelden, leek in Nederland haast nog natuurlijker dan elders. De Nederlanders deinden mee op een internationale trend waaraan ze tegelijk een heel eigen uitdrukking gaven. In de wetenschap nam Boerhaave eenvoud als lijfspreuk. In de theologie - waar eenvoud een sterke traditie kende - kreeg een 'eenvouwige God' het steeds meer voor het zeggen. Dit bracht de verschillende confessies dichter bij elkaar en stimuleerde de formele gelijkstelling der gezindten bij de Bataafse Omwenteling van 1795.
Ook in de politiek streefde men naar vereenvoudiging. Wat was er eenvoudiger dan de gelijkheid die in 1795 zo trots aan het hoofd werd geplaatst van de Hollandse Verklaring van de Rechten van de Mens en Burger, het beginselprogram van de Bataafse revolutie? En wat was er eenvoudiger dan de een- en ondeelbaarheid van de staat die door vele Bataafse revolutionairen als het grote doel van hun onderneming werd beschouwd? Tegenstanders van die ondeelbaarheid - maar niet per se van de revolutie zelf - wezen er echter meteen op dat de oudvaderlandse eenvoud veel beter tot haar recht kon komen door het bestuur dicht bij de burger te laten. Zij zagen juist een spanning tussen oudvaderlandse eenvoud en Franse revolutionaire gelijkvormigheid.
In de late 18de eeuw was nationale navelstaarderij een vorm van nationale nijverheid, een ware industrie. Velen probeerden het geheim van het nationale karakter te ontsluieren en maakten daartoe allerlei lijstjes van typisch Nederlandse kenmerken, van deugden en ondeugden. Al die rijtjes wekken soms de indruk van een polderpopparade. Eenvoud wordt door alle schrijvers genoemd. Degene die dit discours over wat toen nationaal karakter heette, op een hoger plan heeft gebracht was Willem Anthonie Ockerse, een dominee-intellectueel, maar ook politicus, journalist en één van de belangrijkste ideologen van de Bataafse revolutie. Schrijvend in de eerste jaren van de Bataafse Omwenteling, probeerde hij het debat over het nationale karakter, dat al tientallen jaren gaande was, tot een conclusie te brengen, als voorafschaduwing van de voltooiing van de revolutie zelf die veel te lang op zich liet wachten.
Onder de deugden die Ockerse opsomt is uiteraard ook de 'eenvouwigheid'. Maar die deugd uit een rijtje krijgt een hogere status doordat ze zich soepel laat verbinden met tal van andere deugden. Eenvoud is daarmee een containerbegrip geworden, een wasmanddeugd, een nationale opperdeugd. Eenvoud typeert immers ook de matigheid, spaarzaamheid, betamelijkheid, nederigheid en zedigheid die Ockerse noemt, en evenzeer de stille huiselijkheid die hij zo kenmerkend acht voor de levensstijl van de Nederlander en, niet te vergeten, van diens vrouw.
Deze lof der eenvoud was ook een lof der kleinheid met alle gevaren vandien. De stille huiselijkheid die zij vereerde liep het grote gevaar te ontaarden in kleinburgerlijkheid en kleinzieligheid. Want toen de Nederlanders eenmaal de nationale smaak van het vereenvoudigen te pakken hadden, waren ze niet meer te stuiten. Er lag nu een dwingend schema waaraan de Nederlandse cultuur zich niet straffeloos kon onttrekken. Kleinheid en eenvoud gaven de grenzen aan waarbinnen zowel het vertoog over de Nederlandse cultuur zich afspeelde als waarbinnnen de eigentijdse cultuur gestalte kreeg. Dit was het cultuurpatroon van de Droste-cacaobus, om eens een huiselijk beeld te gebruiken: een eindeloze herhaling van hetzelfde in een steeds verder verwijderd, steeds kleiner wordend perspectief. Kleinheid en verkleining als de ultieme grootheid. En wie dit als een ziektebeeld wil zien, krijgt meteen gelijk: de cacaobus wordt immers binnengedragen door een verpleegster.
We bevinden ons nu midden in de 19de eeuw, alom de eeuw van het nationalisme, zeker ook in Nederland. De Bataafse mythe, onze traditionele oorsprongsmythe, was inmiddels afgelost door de mythe van de Gouden Eeuw. Het aantrekkelijke van deze mythe was dat ze ruimte bood aan uiteenlopende sentimenten, passend bij allerlei wisselingen in het eigentijdse politieke en culturele klimaat. Was de natie meer in zichzelf gekeerd dan doken de oudvaderlandse deugden op, was ze meer krijgshaftig en naar buiten gericht, zoals tijdens de Belgische Opstand of bij de imperialistische avonturen aan het eind van de 19de eeuw - Lombok-expeditie, Atjeh-oorlog - dan had die Gouden Eeuw een heel regiment vaderlandse helden in petto. En de ideaaltypische zeeheld uit de Gouden Eeuw, Michiel de Ruyter, was des te meer held omdat hij zo gewoon, zo eenvoudig was.
De uitgaande 19de eeuw was in Nederland een periode van ongekende dynamiek en fel nationalisme. Dit verdween in het buitenland definitief tijdens de Eerste Wereldoorlog. Waar alle omringende landen werden geconfronteerd met oorlog op massale, industriële schaal die een scherpe breuk in de nationale herinnering veroorzaakte, liep de 19de eeuw in het neutrale Nederland nog door. Spreken we elders al van een 'lange' 19de eeuw die duurt tot 1914, in Nederland werd de 19de eeuw zelfs geprolongeerd tot 1940.
Midden in de oorlog publiceerde de cultuurcriticus Just Havelaar in De Gids een lange beschouwing over de eigenheid van de Nederlandse cultuur. Havelaar was een clichémannetje van zijn tijd, iemand die onder woorden wist te brengen wat velen bewoog en daaraan een grote populariteit ontleende. Abraham Kuyper kreeg van Havelaar een veeg uit de pan toen hij Cats en Bilderdijk als nationale (en natuurlijk calvinistische) cultuurhelden had uitverkoren. Havelaar ontplofte. 'Ja, de femelige Cats en de valsche Bilderdijk, zij symboliseeren onze nationale schande. Machtiger vijanden heeft Nederland niet, dan Cats en Bilderdijk.' Wat hebben Cats en Bilderdijk, en Kuyper in commissie, dan precies misdaan? 'Kelder-lage nuchterheid (bij Cats) en wolken-hoog pathos (bij Bilderdijk): arrogante levensonmacht in beide gedaanten; eenvoud die armoê beteekent én gemis aan eenvoud: ziedaar de twee doodzonden van den Hollandschen geest.' Zonde is overdrijving van deugd. De deugd ligt in het midden. En 'Holland's deugd, Holland's wezen is: eenvoud'.
In de jaren 1920 en 1930 verscheen een groot aantal beschouwingen over het Nederlandse karakter. Ze waren geschreven onder de indruk van de grote vragen van wereldoorlog, wereldcrisis, opkomend fascisme en ondergraving van de parlementaire democratie. Het enige van al die stukken dat nog steeds gelezen wordt is Huizinga's essay Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw uit 1941.
In Herfsttij had Huizinga zich nog vrij schamper uitgelaten over de eenvoud van de Moderne Devotie, een beweging die in de 19de eeuw juist door dat eenvoudige karakter doorging voor typisch Nederlands. Hij sprak toen van het 'knusse geestelijk verkeer in stille intimiteit van eenvoudige mannetjes en vrouwtjes'. 'Zij kunnen geen andere wereld gebruiken dan een vereenvoudigde.' In Nederlands beschaving sloeg Huizinga een heel andere toon aan waar het de eenvoud betrof. Nu sprak hij over 'die eigenschap van het Nederlandsche volk, die noch verheven noch diep geestelijk, en toch zoo belangrijk is: den eenvoud van het leven, en in nauw verband daarmee de spaarzaamheid en de zindelijkheid. Het eenvoudige zit niet enkel in kleeding en gewoonten, in den toon van het gezelschapsleven en den geestelijken habitus. Het zit ook in de structuur en uiterlijke gedaante van stad en land zelf'.
Het vlakke land gaf het oog 'de rust van eenvoudige lijnen en wazige verten zonder scherpe breuken'. En overal was er ,het water, oudste element der schepping, waarover Gods geest zweefde in den beginne, het water, de eenvoud zelf van al het aardsche'.
'Het was geen wonder, dat in dit land ook de menschen eenvoudig waren, in hun denken en in hun manieren, in hun kleeding en in hun woning.' Het is de mythe van de Gouden Eeuw die hier haar definitieve vorm kreeg, door de hand van Nederlands beste historicus. Maar onbewust schreef Huizinga hiermee ook een Requiem voor de Gouden Eeuw. Want als nationale mythe had die haar langste tijd gehad. Na in de jaren '40-'45 het bange vaderland nog een dankbaar houvast te hebben geboden, werd zij eindelijk afgelost door een nieuwe mythe. Dit was de mythe van de oorlog zelf, met nieuwe helden en nieuwe schurken, een nieuw buitenlands vijandbeeld en binnenlandse handlangers, goed tegenover fout.
Door de schok van de oorlog vond Nederland zichzelf andermaal uit. Na de oorlog kwamen de jaren van herrijzenis en wederopbouw: de jaren vijftig. Het Nederland van die jaren associëren we haast vanzelf met geborgenheid, huiselijkheid, een land dichtgeplakt met kranten misschien en spreekwoordelijk saai, maar intussen wel gezellig, waar geluk heel gewoon was, de kolenkachel altijd snorde, de spruitjesgeur nog niet werd afgezogen, de vruchten nog niet werden afgedreven, en waar het hele gezin wekelijks om de radio kroop om te luisteren naar het nationale huisgezin, de familie Doorsnee. De hele natie fietste, liefst tegen de wind in. En wie nog niet kon fietsen zat achterop: de babyboomers, voor eeuwig uit de wind. Zelfs het koningshuis fietste, voor de buitenwacht een duidelijk bewijs dat we hier te maken hadden met een zeer bijzonder land.
De jaren vijftig blijven als mythe heel interessant. Die mythe was namelijk in veel opzichten een herbeleving van de oudvaderlandse deugdenleer. Deugden die generaties lang alleen maar gepreekt waren, bleken plotseling werkelijkheid geworden. Genoot men elders van een reëel bestaand socialisme, hier was het simplisme blijkbaar werkelijkheid geworden. Het leek wel alsof het hele vaderlandse deugdenrijtje passend was gemaakt voor de rijtjeshuizen van de Wederopbouw. Nederland werkte harder dan ooit: arbeidzaamheid. En in weinig landen was de deelname van de vrouw aan het arbeidsproces zo gering als hier, geheel volgens het voorschrift van de 19de-eeuwse huiselijkheidsideologie. Nederland was ook zuinig en spaarde dat het een lust was. En de loonmatiging deed weer denken aan het vertrouwde motto van matigheid.
Eenvoud kenmerkte ook de politieke cultuur, getuige slechts de beroemde anekdote over Vader Drees die een Amerikaanse Marshallhulp-delegatie thuis, in zijn bescheiden woning aan de Beeklaan, een Mariakaakje presenteerde en daarmee zoveel indruk maakte dat Nederland buitenproportioneel veel Marshallgeld in de wacht sleepte. Nooit was Nederland Nederlandser dan in de jaren vijftig.
Ook na de cultuurschok van de jaren zestig - toen een allang aanzeurende onderstroom bovenstroom was geworden - bleef de herinnering aan de jaren vijftig bestaan als stille getuige van een ouder Nederland. Koot en Bie werden de Klisjeemannetjes van de jaren zestig, 'oudere jongeren' wier weerzin tegen de jaren vijftig slechts werd overtroffen door hun weemoed daarnaar. Beter dan wie ook beseften ze dat ze de herinnering aan de jaren vijftig het best konden bewaren door er een ideologie van te maken: het positief simplisme. En voor wie het nog niet begreep, was er het logo van hun Simplistisch Verbond, de mattenklopper, een ondubbelzinnige verwijzing naar de korte metten en de blote billen van de jaren vijftig. Achter de leuke, wilde jaren zestig en zeventig, waarin alles mocht en het dus juist niet leuk meer was, gloorden zo nog altijd de echtheid en de eenvoud van de jaren vijftig als een steeds tijdlozer, steeds mythischer herinnering.
Die mythe lijkt tegenwoordig sterker dan ooit. Er is haast geen groter contrast denkbaar dan met het huidige tijdsgewricht, maar juist dat maakt de jaren vijftig als tijdloos tegenbeeld onweerstaanbaar. Ook toen had Nederland het weliswaar druk, maar anders dan nu resulteerde die drukte in een kennelijk welbevinden. De gestresste jaren negentig daarentegen ontlokten één minister een pleidooi voor onthaasting, een mooi woord dat terecht de nieuwste druk van Van Dale heeft gehaald.
Onthaasting kan als begrip zo zijn weggelopen uit de jaren vijftig. Onthaasting betekent het stilzetten of in elk geval vertragen van de tijd. Dat is ook typerend voor mythen, waaronder nationale mythen, waarin tijd geen betekenis heeft. Als het waar is dat de jaren vijftig zich sluipend als nationale mythe in ons midden hebben genesteld - gedragen door een stille meerderheid van babyboomers - dan is dat een teken op het behang. Teken van een groot onbehagen en van een groot verlangen: een verlangen naar eenvoud.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.