*

 
dossier

Archief

Depressie

Bert Keizer − 14/11/00, 00:00

Vorige week sprak ik met een bevriende psychiater over Wittgenstein. Ik wilde net beginnen aan een uiteenzetting over diens strijd tegen het essentialisme, die platonische illusie achter de wat-is-X-nou-precies-vraag. In Wittgensteins denken wordt als het ware in de breedte naar verschillen gezocht, terwijl Plato juist in de diepte naar overeenkomsten groef. In het vuur van mijn betoog werd ik getroffen door de levendigheid van Wittgensteins wereld vol verschillen, naast het ietwat doodse tafereel van Plato's altijd eendere Ideeën, toen mijn vriend mij onderbrak met de opmerking: ,,Die man was verschrikkelijk depressief volgens mij.''

Ik dramde nog wat door over de verleiding van de essentialistische visie, en het bijna reflexmatige afweren van Wittgensteins manier van kijken, toen hij mij opnieuw onderbrak: ,,Je hebt zijn brieven en dagboeken toch gelezen? Die man leed aan zeer zware depressies.''

Zo'n uitlating is niet bedoeld als een terloopse aanduiding van een aspect van Wittgensteins persoonlijkheid, in de trant van 'hij was dol op Amerikaanse detectives' of 'hield nogal van hondepoeperige grapjes', nee, met de mededeling dat iemand depressief is bedoelen mensen iets aan te duiden in die persoon, een soort zwarte deken waarachter die man zijn schatten verborgen bleven. Of waarachter hij ze in zijn onhandigheid verborgen hield, want het is natuurlijk helemaal de verkeerde aanpak om zo depressief te zijn. 'Hij is depressief' is bedoeld als een sleutel tot een karakter, alsof de constatering een bepaalde puzzel oplost. Zoals 'zij is diabeet' verklaart waarom ze altijd zo spastisch omgaat met suiker. De constatering dat iemand depressief is, is ook een tikkie oordelend, de depressieveling kan iets niet dat anderen wel lukt.

Persoonlijk vind ik de opmerking dat Wittgenstein depressief was, ongeveer net zo informatief als de vaststelling dat hij oedipaal was, of met een iets te kort linker been rondhobbelde.

Het begrip 'depressie' is de laatste jaren zo uitgelubberd dat het om bijna elke geestesgesteldheid heen gedrapeerd kan worden, die langer dan een maand onder de carnavalsstemming zit. Dat is allemaal nog niet zo erg, zolang het gaat om een vrijblijvende uitwisseling waarin twee mensen wat heen en weer praten over bijvoorbeeld Wittgenstein. Maar depressies worden niet alleen aangetroffen door amateurpsychologen, ze worden ook gediagnosticeerd door artsen en dan is de vrijblijvendheid er gauw af, want er zijn pillen tegen, zo gaat het gerucht, en zoals Goethe al zei (of had moeten zeggen): ,,Wo die Gedanken fehlen, stellen die Pillen sich ein.''

Het is een diagnose die men met het grootste gemak stelt en met eenzelfde gemak weer intrekt. Nu is psychiatrische diagnostiek uit de aard van de zaak iets heel anders dan het in kaart brengen van lichamelijke sores als horrelvoet of groene staar, maar het gemak waarmee ook de beroepsgroep depressies ziet en weer verwijdert is belachelijk. Ik heb wel eens de indruk dat de enige partij die echt opknapt van een behandeling met antidepressiva de farmaceutische industrie is.

Een door Popper in zijn wildste uren nog niet verzonnen variant is de gemaskeerde depressie. Een vriend van mij kwam na enkele maanden psychotherapie in het kader van een allesverwoestende echtscheiding op een avond als een verloste het café binnenzetten, eindelijk wist hij het: ,,Jongens, ik worstel al vanaf mijn vijftiende met een gemaskeerde depressie!'' Je houdt je gezicht in de plooi in zo'n situatie, maar epistemologisch gesproken vind ik het wel een vondst. Het is een 'diagnose' die je zonder reserve op elke gemoedstoestand kunt toepassen, ook op een 'manifeste' depressie, want daar kan weer een 'gemaskeerde' achter zitten.

Veel depressies worden uitgedeeld uit opportunistische overwegingen, rond euthanasie bijvoorbeeld. Zo hoorde ik vorige week over een mevrouw die in het ziekenhuis om euthanasie had gevraagd. De psychiater (die slechts in consult was en de euthanasie niet hoefde uit te voeren) oordeelde dat mevrouw 'beslist niet depressief' was. Maar de geriater, wiens competentie dit eigenlijk niet is maar die een en ander wel daadwerkelijk zou moeten regelen, achtte mevrouw 'uitermate depressief' en dus niet goed genoeg voor een te bestellen levenseinde.

Depressies komen zelfs zo vaak voor, denkt men, dat van mij rond een recent euthanasiegeval min of meer geëist werd te bewijzen dat de patiënt NIET depressief was, alvorens tot handelen kon worden overgegaan. Volgens collega Fiolet uit Maastricht niet eens zo'n gekke gedachtegang, want hij schat dat zo'n tweehonderd- tot driehonderdduizend 65-plussers worstelen met een depressie, het stond in de krant. Dat zijn nog eens aantallen. Deze overweldigende informatie kwam aan het licht vorige week omdat geriaters vrezen dat honderdduizenden oudjes zich als lemmingen in het niets zullen storten zodra de pil van Drion beschikbaar komt. Ik begrijp die vrees wel, en toch geloof ik dat die ongegrond is. In mijn dagelijkse praktijk ervaar ik hoe zelden mensen, zelfs onder de beroerdst denkbare omstandigheden, echt om de dood vragen.

Een lezer wees mij in dit verband op de diergeneeskundige praktijk: daar is de pil van Drion wel voorhanden en wordt hij op verzoek van baasje aan hondje gegeven. De oplossing is wellicht dat wij tzt als onze beker leeg is, ons verkleden als een terminaal paard. Op die manier kunnen we voor de hele verdieping van onze bejaardenflat de einddosis ophalen. De vraag is: hoe doet een terminaal paard?

mailIcon print |