*

 
dossier

Archief

Poëzie & religie

door Theo de Boer − 20/01/01, 00:00

De psalmen zijn poëzie, schreef Nicolaas Matsier. De liturgie is een groots kunstwerk, zei G. van der Leeuw. Maar wat is dan nog het verschil tussen poëzie en religie? Wat is verkondiging? Wat is liturgie? Wat is oprecht veinzen? De filosoof Theo de Boer over het verschil tussen Jezus en Orpheus.

In de beeldvorming is er in onze cultuur een grote kloof tussen poëzie en religie. Poëzie is een uiting van vrije verbeelding, religie een zaak van vaststaande waarheden. Orthodoxe gelovigen worden bij Multatuli gerepresenteerd door ds. Wawelaar en Droogstoppel. Zij bepalen de kijk op religie bij de buitenwacht, vooral bij de 'hoogopgeleiden onder haar verachters', om met Schleiermacher te spreken. En het is nog steeds zo dat fictie, literatuur, in orthodoxe kring wordt gewantrouwd. De benadering van de Bijbel als literair en liturgisch boek wekt argwaan. In het geloof gaat het immers niet om verhalen maar om waar gebeurde geschiedenis. De literaire lezing en de narratieve theologie zou die heilsfeiten verdonkeremanen.

Niettemin is de Bijbel onmiskenbaar (mede) een verzameling Hebreeuwse literatuur; en wel één die een langere periode bestrijkt dan de Nederlandse van Hadewijch tot Hermans. In de bijbelse theologie wordt een boek als Jozua tegenwoordig gelezen als profetie en niet als verslag van historische gebeurtenissen. Het verhaal over de inname van Jericho komt op de onbevangen lezer inderdaad eerder over als een liturgisch dan als een militair gebeuren (bovendien leert het historisch onderzoek dat het als feit nooit heeft plaatsgevonden).

Van de liturgie zegt niemand minder dan G. van der Leeuw, de grote vernieuwer op het punt van de eredienst in Nederland, dat zij een 'groots kunstwerk' is, zelfs 'het hoogste kunstwerk dat ooit werd voortgebracht', vergelijkbaar met de schepping. De Australische dichter Les Murray noemt in het gedicht Poetry and religion de religie 'een gedicht in het groot'.

De fictie rukt op in kerk en theologie. Is God zelf dan ook niet verzinsel in plaats van een ultieme werkelijkheid? God is geen personage, laat de gereformeerd-Amerikaanse filosoof Plantinga in een interview weten; een denkbeeld, een mythe, een verhaal daar schieten we niets mee op. Ondanks alle verwantschap tussen kunst en religie is er inderdaad één groot verschil: kunst is fictie, religie non-fictie.

Als het in een cultuur gangbare opinie wordt dat God niet bestaat en religie een illusie is, een collectieve neurose, leidt dat als vanzelf tot de idee dat kunst de religie moet vervangen. Die gedachte is niet nieuw maar wint aan populariteit. In Nederland hebben de tachtigers Perk en Verwey zich al in die geest uitgelaten. Van de vijftigers heeft met name Kouwenaar gesteld dat poëzie de enige mogelijkheid is zin te geven aan het leven en de chaos een halt toe te roepen. Bij Kellendonk wordt geloven bijna gelijk aan creatieve verbeelding. Toch zijn de dichtbundels van Les Murray opgedragen 'to the glory of God'. Lijdt deze dichter aan een collectieve waanidee? We zullen zien.

Het verschil tussen gewone taal en literaire, gestileerde taal wordt vaak toegelicht met de begrippen inhoud en vorm of zaak en presentatie. De inhoud is dat waar het om gaat, de stijl is de manier waarop die gebracht wordt, de aankleding. Beter dan door een lang betoog kan ik dat toelichten aan een voorbeeld. De roman 'Turks fruit' van Jan Wolkers begint met de zin: ,,Ik was aardig in de rotzooi terecht gekomen nadat ze bij me weggegaan was. Ik werkte niet meer, ik at niet meer.'' Het boek begint op het moment dat de geliefde weg is. Wie die geliefde is weten we niet. Dat wordt pas geleidelijk duidelijk. Je zou hier de vraag kunnen stellen: waarom wijkt de presentatie af van de werkelijkheid? Waarom vertelt Wolkers de gebeurtenissen niet gewoon in de chronologische volgorde? Ordentelijk bij het begin beginnend zoals de Bijbel ook doet. Je zou het boek als je het uit hebt kunnen herschrijven zoals het werkelijk gebeurd is, althans volgens de schrijver. Hetzelfde procédé kun je toepassen op niet verzonnen, historische verhalen. Wat je dan overhoudt is, zo zegt men, de geschiedenis 'zoals zij werkelijk geweest is', afgezien van de presentatie. Ik denk niet dat dergelijke echt 'realistische' boeken veel kopers zouden vinden, ondanks de reclame: dit is nu waar het op aankomt, de rest is maar aankleding of zegswijze, die hebben we weggelaten.

Hoewel de tegenstelling feit/fictie evident lijkt, is het toch niet zo dat literatuur niets over de werkelijkheid zegt. Volgens sommigen liegt de literatuur de waarheid en is zij misschien meer waar dan een puur feitelijk verslag. Het is niet zo dat de toegevoegde waarde, de stijl, alleen maar schijn is, zij het schone schijn. Poëzie laat iets van de werkelijkheid zien en is in zoverre een 'uitspraak over het bestaan'.

De literaire taal is niet verhullend maar juist openbarend. De wereld van de roman is in deze visie niet een verzinsel maar eerder een door literaire technieken verhevigde werkelijkheid, zoals bij een enscenering op het toneel. Dichterlijke taal is, om de reeds genoemde Van der Leeuw te citeren, niet een 'kunstmatig opgeschroefde taal maar de eigenlijk menselijke taal' omdat ze het dichtst bij de waarheid komt. Zij creëert een 'tweede wereld' van de kunstzinnige verbeelding.

Die theorie van een andere wereld heeft wel een zwakke plek. Er wordt de indruk gewekt van twee werkelijkheden waarvan er dan één ten koste moet gaan van de ander. De psycholoog J. Linschoten heeft eens spits opgemerkt: wanneer het toneel verhevigde werkelijkheid is, dan is de werkelijkheid verzwakt toneel. Dat volgt inderdaad logisch als de fictionele wereld wordt gezien als een soort tweede werkelijkheid boven de alledaagse. Wat is die tweede wereld voor iets? Bestond zij al voor zij werd opgeroepen? De huivering voor een dergelijke uitbreiding van de werkelijkheid roept de tegengestelde mening op: kunst is niets meer dan de uitdrukking van een subjectief gevoel.

We kunnen, dunkt mij, aan dat dilemma ontsnappen door de 'tweede werkelijkheid' te zien als een wereld die tegelijk met de woorden ontstaat. De poëzie laat iets zien wat nog geen werkelijkheid was voor het gezegd werd. In die zin schrijft Rutger Kopland over poëzie vanuit zijn ervaring als dichter. De functie van literatuur is niet het scheppen van een extra-wereld boven de bestaande maar de uitbeelding of transformatie van de eerste en enige wereld. Geldt wat van gedichten geldt, ook van grote gedichten: religies? Verwijzen ze op die manier naar de werkelijkheid?

Voor ik op die vraag inga, keer ik terug naar het voorbeeld van de bij-

belexegese. Bij literatuur is het vreemd om te stellen dat de manier waarop iets gezegd wordt er niet toe doet. Toch hoor je dat wel als het over de Bijbel gaat. Daarom wordt er bij de paasverhalen achter de vele presentaties gezocht naar het ene feit daarachter. De uitspraak 'De Heer is waarlijk opgestaan' zou door de historische reconstructie pas een echte, betrouwbare uitspraak worden die we voor waar kunnen houden. In feite komt dit erop neer dat de Bijbel geen vormgevende technieken mag gebruiken voor zijn eigen religieuze mission statement. Dat zou tekortdoen aan de feiten. Volgens mij hebben met name protestanten, en onder hen in het bijzonder de gereformeerden, de neiging zo te denken.

Nu hoor je tegenwoordig van degenen die op die moderne, wetenschappelijke manier naar feiten achter de tekst zoeken dat ze uiteindelijk niets vinden. En de conclusie is dan dat zoiets als een paasfeit niet bestaat. Het gaat ook niet om constateerbare feiten, zeggen de theologen dan. Het is weliswaar niet echt gebeurd, maar toch waar. Het gaat om 'verkondiging'. Wat betekent hier 'verkondiging'? Verkondigen is, hoeveel praktische gevolgen het ook moge hebben, iets anders dan het afkondigen van een gebod. Verkondigen heeft iets van aankondigen, van bekendmaken wat het geval is. Wie iemand tot koning proclameert, stelt dat er iets in de werkelijkheid veranderd is. Er is een nieuwe tijd aangebroken. Maar wat doet dan iemand als Johannes de Doper die het Koninkrijk Gods uitroept? Een Koninkrijk dat er is en ook (nog steeds) niet is. Moeten we ons dat zo voorstellen dat ook het verkondigde pas werkelijk wordt als het gezegd wordt, zoals ik zojuist suggereerde ten aanzien van de poëzie?

Schrijvers zullen nooit zeggen dat ze iets verkondigen, integendeel (al moeten ze wel in hun verhaal 'geloven'). De Bijbel en de kansel, dat zijn de plekken waar iets verkondigd wordt. We komen dus niet verder als we niet weten waarin religie of religieuze verbeelding nu verschillen van literaire fictie. Een antwoord op die vraag is misschien te vinden bij iemand die rakelings scheert langs de identificatie van religie en verbeelding: Frans Kellendonk.

Kellendonk noemde het geloof een 'oprecht veinzen'. Dat wordt vaak gezien als een bizarre vondst, maar misschien is het wel een trefzekere beschrijving van zoiets als verkondigen. Het oprecht veinzen moeten we begrijpen tegen de achtergrond van de Socratische ironie. Socrates (lees: Plato) deed alsof hij niets wist, maar hij wist wel degelijk. Hij kende de ideale werkelijkheid, het ware zijn. Vandaar dat zijn ondervragingen vaak zo'n onoprechte indruk maken. De vrager weet al van tevoren waar hij de ondervraagde wil hebben. Kellendonk doet het omgekeerde. Hij doet alsof hij wel weet, terwijl hij niets weet. Zo iemand houdt niets achter. Behalve zijn onwetendheid zal men zeggen. Maar dit veinzen kan de naam onoprechtheid nauwelijks dragen. Oprecht veinzen is een even vergeten, een even voorgewende vergetelheid, van het evidente niet weten als het om Transcendentie gaat. De Transcendentie bestaat niet als een hogere werkelijkheid waarvan men het bestaan door redeneren en schouwen ondubbelzinnig zou kunnen vaststellen. Geloven heeft per definitie iets van wedden, evenals hoop en liefde. De waarheid ervan wordt waargemaakt in het engagement.

We kunnen het plechtige 'verkondigen' dus vertalen met: doen alsof maar wel in alle ernst, niet vrijblijvend. Als iemand het Koninkrijk Gods wil verkondigen, is het beste advies: doe alsof het bestaat en gedraag je ernaar! Het oprecht veinzen drukt iets uit van de misère en grandeur van de gelovige. Misère want je ziet zo goed als niets van het Koninkrijk dat je verkondigt, grandeur want precies om die reden ben je wel gedwongen oprecht te zijn.

Wie historisch leest, zoekt vergeefs naar een hard feit, schreef ik boven, en valt zo terug op verkondiging. Ik beweer niet dat de literaire lezing dat probleem oplost. Ik heb over verkondiging iets uitgeweid omdat zij daar tenslotte ook op terugvalt. De Bijbel mag (mede) een literair werk zijn, het heeft een religieus statuut. Daarmee bedoel ik dat het een boek is waar God in genoemd wordt, en niet als Personage. De Bijbel ontvouwt niet een fictieve wereld om de bestaande te ontsluiten (al doet hij dat ook) maar wil primair zeggen dat er iets bestaat wat dwars op de bestaande wereld staat en dat de evangelisten, om het woord God te vermijden, ook wel 'Koninkrijk der hemelen' noemen.

Maar hoe zit het nu met de liturgie die Van der Leeuw een groot kunstwerk noemde? Het probleem van de relatie tussen kunst en religie wordt door die uitspraak niet opgelost maar opnieuw gesteld. We krijgen een tweede kans om er iets over te weten te komen. De vergelijking van kunst en liturgie is ook in zoverre interessant dat beide door soortgelijke argumenten worden gediskwalificeerd. Ook op het gebied van de liturgie wordt kaalslag gepleegd met de (metafysische) redenering dat de aankleding afleidt van de zaak waarom het gaat. Waarom iets zingen als je het veel preciezer kunt zeggen? Het 'blijven hangen aan de uiterlijke tekenen van brood en wijn', zoals het vroegere avondmaalsformulier het zo fraai formuleerde, kon, vreesde men, zelfs tot 'afgoderij' leiden. Toch is ook bij de calvinisten de lijdende Christus reëel tegenwoordig in het sacrament. Terecht, want Jezus is een persoon en geen personage.

Wat is liturgie? Zeker, moet men Van der Leeuw toegeven, de liturgie is een enscenering, een 'ceremonie'. Maar wel een heel speciale. Ten eerste is het een vertoning voor iedereen, niet voor een beschaafde, blanke elite (wat subsidie betreft staat ze er dus goed voor). Voorts is het een spel dat veel verder gaat in het transformeren van de werkelijkheid dan de kunst. ,,Liturgie'', zegt Barnard, ,,schetst de perfectie, zij leert ons dulden en hopen... die nis in de tijd bewaart het 'allerheiligste' totdat het 'profanum' is uitgewoed.'' De liturgie is tegelijk fictiever en realistischer dan een kunstwerk. Fictiever want we veinzen hier dat het kwaad zelf overwonnen is. Dat is pas een triomf van de verbeelding. Realistischer omdat de profane werkelijkheid volstrekt serieus wordt genomen. In zekere zin meer dan in de kunst.

Alle kritische vragen die boven ten aanzien van de religie in het algemeen gesteld werden, gelden des te sterker ten aanzien van de liturgie. Hier wordt de denkbeeldigheid als het ware tot een hogere macht verheven. Er gebeuren rare dingen in de eredienst, van buitenaf gezien. Ze zingen daar over Jeruzalem als stad van de vrede. Dit grenst toch wel aan de collectieve waan waar ik het over had.

De vraag is hoe we uitmaken of dat allemaal illusie is. In het dagelijks leven lossen we dat probleem op door simpelweg te kijken. Maar de meeste bestaansvragen kunnen niet door een eenvoudige waarneming beslist worden. Of er zoiets als een 'tweede wereld' bestaat, of schoonheid of volmaaktheid, kan niet op die simpele ja/nee manier beantwoord worden.

We hebben boven een poging gedaan de vraag naar de 'werkelijkheid' van de poëzie te beantwoorden vanuit de ervaring van het dichten en het lezen van gedichten zelf, de ervaring dat er in en met de woorden iets ontstaat wat er tevoren niet was. Het lijkt me redelijk op dezelfde manier iets te zeggen over de werkelijkheid die beantwoordt aan de religie. Ook hier kun je proberen de vraag naar het bestaan door neutrale waarneming te beantwoorden, bijvoorbeeld door via kerkramen naar binnen te gluren wanneer ergens een kerkdienst aan de gang is. Wat doen die mensen toch als ze bidden en zich richten tot een 'hogere werkelijkheid bestaande uit één of meer goden' zoals ik het een Nederlandse godsdienstwetenschapper eens wetenschappelijk verantwoord hoorde formuleren? Dit mag de echt wetenschappelijke weg zijn, ik geloof niet dat zij ons veel verder brengt. Zonder distantie is geen denken mogelijk maar zonder betrokkenheid geen inzicht. Vruchtbaarder is het de vraag naar het bestaan te benaderen vanuit de religieuze ervaring zelf, vanuit de documenten die daarvan verslag uitbrengen.

En dan blijkt er eigenlijk niets van een scheppende verbeelding of inbeelding. Bidden is meer antwoorden dan vragen (volgens Pascal een vragen naar wat al geschonken is); meer gevonden worden dan zoeken, meer luisteren dan spreken. Hier, op locatie, op de plek waar het zou moeten gebeuren, vinden we niets van het soevereine subject dat projecteert en produceert. Het (modernistische) dilemma van (zich) ontwerpen of (zich) onderwerpen wordt vanuit de ervaring zelf 'gedeconstrueerd'. Enerzijds lijkt het wel alsof het subject verdwijnt. Anderzijds heeft bidden iets van een volstrekte, zichzelf overtreffende inzet. In het al genoemde gedicht van Les Murray wordt Huckleberry Finn geciteerd, een personage uit het werk van Mark Twain.

Een leugen kun je niet bidden, zei Huckleberry Finn;/je kunt er ook geen dichten.

Wat Huckleberry hier beweert staat op gespannen voet met de gangbare taalfilosofie. Oprechtheid in het spreken is volgens de theorie van de taalhandelingen de regel. Er is geen gemeenschap denkbaar waar liegen normaal is. Toch is er altijd een uitzondering op de regel mogelijk, wil er van menselijke taal sprake zijn. De uitspraak van Huckleberry getuigt van een absolute oprechtheid, te groot voor mensen eigenlijk. Het vooronderstelt een perfectie die de ervaring transcendeert.

De buitenstaander kan natuurlijk opmerken dat er wel degelijk leugenachtige gebeden bestaan, ja, dat het bidden zelf één grote leugen is. Hetzelfde hoor je van poëzie. Is het meer dan een gemeenplaats van het gezond verstand? Ikzelf denk eigenlijk dat religie en poëzie minder goed kunnen 'liegen' dan onze genormaliseerde, door traditionele dilemma's en schema's geïnfecteerde ervaring.

Wat de vraag naar verdichtsel of werkelijkheid betreft, verkeert de gelovige wel in een benarde positie. Hij is geheel betrokken bij, ja doortrokken van zijn 'onderwerp'. Zeker weten doet hij echter niets. Daar staat tegenover dat hij of zij wel weet waarover het in de religie gaat en in zoverre 'deskundig' is. We moeten daarom de betrokkenheid niet bij voorbaat uitschakelen maar er, met distantie, van profiteren.

In plaats van mijn tijd met methodologische bespiegelingen te verspillen is het misschien verstandiger nog een moment stil te staan bij de inzichten die de betrokken waarneming oplevert. Daartoe hoort ook dat wat aan de waarnemer als aantasting van de vrijheid verschijnt, van binnenuit als gunst en genade ervaren wordt. Het is hoogstens het einde van het bedrijvige 'ik' dat alles meent te kunnen overzien en bedisselen.

Over de dichterlijke inspiratie schrijft Willen Jan Otten:

Het schip is breder dan het water

en de radio staat aan. Het vaart

heel traag en vult me kolossaal.

Het gedicht baant zich een weg naar mijn leven, zegt de dichter zelf naar aanleiding van deze regels. ,,Het vaart door me heen, net als in Nijhoff's De moeder de vrouw de moederboot door de brug komt gevaren... door de dichter die net de brug van zijn poëzie aan het spannen was.'' (Heel mooi vind ik die radio als begeleidende tetteraar dwars door het subject.) Wat hier van het dichterlijke subject gezegd wordt, geldt des te voor het religieuze. Het reikt over de grenzen van de ervaring en verbeelding heen.

Het is inmiddels wel duidelijk dat de liturgie geen spel der kunstzinnige verbeelding is. Het kwaad overwinnen, het Koninkrijk Gods uitbeelden is een pretentie die ver boven die van de kunst uitreikt. Het 'doen alsof' heeft hier een ernst die elk 'veinzen' overtreft. De overeenkomst met de kunst is dat de 'referent' van de religie net zomin een aparte (derde) wereld als die van de fictie - zij betreft niet een gans andere wereld maar de bestaande wereld gans anders - maar het verschil is hemelsbreed.

Dat het Koninkrijk der hemelen een transcenderende realiteit is, kunnen we aflezen uit de gelijkenissen. Wat verteld wordt over de werkers van het elfde uur overschrijdt de menselijke maatstaven van rechtvaardige beloning; niet tot een grens, maar over de grens. Het verhaal suggereert dat ook iemand die minder dan één uur of minder dan de kleinste tijdseenheid gewerkt heeft, toch gelijk beloond wordt. Ja, ook iemand die helemaal niet gewerkt heeft kan zijn gerechte loon niet ontgaan. De genade is 'meer dan overvloedig'. De keerzijde hiervan is dat engagement ook 'meer dan het gewone' vergt. Dat 'meer' is het keurmerk van Transcendentie. Bij de realiteiten van het koninkrijk Gods kun je, met een zinswending van Jezus, altijd stellen: hoeveel te meer...! Het meer is onafzienbaar.

Aan de andere kant is de liturgie ook realistischer dan het kunstwerk. Ten eerste heeft zij consequenties voor de praktijk, veel meer dan een simpel gebod. Openbaring betekent - net als in de kunst trouwens - niet primair morele verbetering maar verschuiving van blik. De schok komt echter harder aan omdat de stoot van gene zijde komt en in principe elke levensvorm in de crisis brengt. Zo transcenderend als de liturgie is, zo ontregelend de ingesloten moraal. De in de liturgie 'geschetste perfectie' heeft in die zin eerder een ont-moraliserende uitwerking.

Het realisme van de liturgie komt ook tot uiting in het besef van het altijd dreigende Niets, terwijl de moraal en de politiek in hun ijver die bodemloosheid licht vergeten. Ik denk dat de kunst zich zwaar overschat als ze denkt de strijd daartegen alleen aan te kunnen. De religie heeft een eigen woord voor de chaos, reeds in vers twee van Genesis 1: 'tohoe wa bohoe'. Vijf loeizware lettergrepen / met meer gewicht dan alle elementen tezamen (K. Michel). Om het Nietige dat nog onder de elementen ligt een halt toe te roepen, is een initiatief nodig van de Overkant. Dat wordt ons geleerd door het prachtige dogma van de nederdaling ter helle. De dood is de laatste en radicale marginalisering. Hoog of laag gezeten, ten slotte vallen we allen over de rand heen. Daarom heeft Jezus voor hij naar zijn verlaten leerlingen en treurende vrouwen terugging, eerst een invitatiebezoek gebracht aan de onderwereld. Jezus deed wat Orpheus niet vermocht. Hij passeerde de laatste grens en deconstrueerde zo het Nietige zelf. Het werd, met een uitdrukking van Paulus, 'werkeloos'.

Volgens het boek der Openbaringen is het liturgische centrum eschatologisch gezien een noodmaatregel die in het nieuwe Jeruzalem overbodig wordt. ,,En een tempel zag ik in haar niet, want de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam'' (vers 21 en 22). Het koninkrijk Gods is dan blijkbaar overal doorgebroken, maar zover is het nog niet. Voorlopig hebben we nog te maken met de afgrond en de 'laatste draken uit de afgrond' uit dat openbarende boek. En dus met kunst én religie.

mailIcon print |