Globalisering van de landbouwprijzen en dan voor elk gezin geld voor een extra vakantie klinkt perfect. Maar wereldprijzen variëren en zodra overschotten niet meer gedumpt worden, schiet de tweede en mogelijk zelfs de eerste vakantie er bij in.
Hoogleraar Jacob Kol, verbonden aan het Erasmus centre for Economic Integration Studies in Rotterdam, geeft in Trouw van 17 februari een oplossing voor de landbouwproblemen. Helaas ligt aan zijn oplossing een aantal simplificaties ten grondslag, waardoor we met zijn ongenuanceerde stellingname niet veel kunnen beginnen.
Zijn oplossing is: globalisering, vrije wereldhandel, laat de productie plaatsvinden waar dat het beste kan. Kol schat dat bij globalisering in Nederland dertig procent van de huidige landbouwproductie overblijft. Op het eerste oog heeft hij, economisch gezien, redelijk klinkende argumenten.
De eerste simplificatie is echter dat als de (wereld)markt voor landbouwproducten maar vrij zou zijn, er automatisch een toestand van evenwicht en stabiliteit zou intreden. Dit is een mythe. De landbouw wordt gekenmerkt door een situatie van veel, kleine aanbieders met een homogeen product. Iedere boer neemt, onafhankelijk van anderen, zijn productiebeslissingen en het effect van al deze beslissingen samen kan gemakkelijk leiden tot overschotten of tekorten. Hierbij komt nog het weer als extra bron van productieschommelingen.
Aan de vraagzijde is de markt voor landbouwproducten en voedingsmiddelen daarentegen zeer inelastisch. Dit betekent dat kleine tekorten of overschotten grote prijsschommelingen veroorzaken. Iedere consument weet hoe de prijzen van aardappelen omhoog vliegen als er weer eens een krapte is op die markt.
In het verleden hebben we dan ook gezien dat in tijden van economische crises de prijzen van agrarische producten veel scherper daalden dan die van industriële producten. Volledig vrije markten van landbouwproducten zouden niet het beeld vertonen van stabiliteit en constante prijzen, maar van zeer grote prijsschommelingen, met als gevolg grote ontwrichting.
Het Europees landbouwbeleid kost de consument onevenredig veel. Dit is de tweede simplificatie. Kol heeft berekend dat als gevolg van de prijsondersteuning door de Europese Unie, een gezin met twee kinderen gemiddeld 2500 gulden per jaar meer voor zijn levensmiddelen zou betalen dan wanneer deze levensmiddelen tegen wereldmarktprijzen zouden worden gekocht. Het bedrag van een gratis vakantie, volgens Kol. Dit zal wel kloppen voor de huidige wereldmarktprijzen, maar Kol vermeldt hier niet bij dat dit een kortetermijnberekening is. De huidige wereldmarkt is immers niet een echte markt, maar meer een vergaarbak van overschotten.
Omdat regeringen de grote prijsschommelingen van landbouwproducten en voedingsmiddelen niet meer acceptabel vonden, hebben ze maatregelen genomen om die markten te stabiliseren, wat vaak een zekere afscherming van de wereldmarkt inhield. Dit geldt voor bijna alle landen van de wereld, ook de kampioen van de vrije handel, de Verenigde Staten. Hierdoor is de wereldmarkt een dumpplaats voor overschotten met dus lage prijzen. Zouden echter, zoals bij een echte vrije wereldmarkt het geval is, alle grenzen opengaan, dan zullen de prijzen op de wereldmarkt flink stijgen, en kunnen gemakkelijk niveaus bereiken die het huidige EU-prijspeil te boven gaan. Weg gratis vakantie dus, of misschien helemaal geen vakantie meer.
De derde simplificatie is dat we gemakkelijk onze levensmiddelen van elders kunnen betrekken. Kol noemt het voorbeeld van biologisch rundvlees uit Argentinië. Voor verse bulkachtige producten zoals melk en zuivelproducten is dat om logistieke redenen al onmogelijk. Voor andere producten zou dit wellicht in principe kunnen, maar in de landbouwpolitiek heeft ook altijd de strategische overweging van het kunnen voeden van de eigen bevolking een belangrijke rol gespeeld. Wij zijn gewend geraakt aan een rijk aanbod van voedingsmiddelen die via een goed geolied distributiesysteem vanuit alle hoeken van de wereld tot ons kunnen komen, maar er zijn in de geschiedenis ook andere tijden geweest.
De sociaal-democraat Sicco Mansholt heeft de grondslagen gelegd voor het huidige EU-landbouwbeleid. Hij was ervan overtuigd, dat het, om de voedselproductie veilig te stellen, noodzakelijk was om de boeren een goede prijs te garanderen.
Ik pleit allerminst voor een bevriezing van het huidige landbouwbeleid. Waar mogelijk, moeten de luiken verder open naar de markt, maar daarbij zal vaak de steun van de (EU) overheid nodig zijn. Bijvoorbeeld, binnen het door de EU ingestelde quotaregime (aanbodsbeheersing) voor melk en suiker, kunnen de markten voor deze producten goed functioneren. Een veel betere marktoriëntatie wordt mogelijk wanneer boeren binnen verticale ketens afspraken maken met partijen verderop in het distributiekanaal (verwerkende industrie of detailhandel) over hoeveelheden en productspecificaties (kwaliteit).
De afstemming binnen ketens wordt steeds beter mogelijk door middel van informatietechnologie. Het heeft niet alleen het voordeel van een beter afstemming van het aanbod op de vraag, maar maakt ook, dat op deze wijze de herkomst van producten bekend is. Ook daarom zou het buitengewoon lichtvaardig zijn om de landbouw zoveel mogelijk over de grens te schuiven. De landbouw- en voedingsmiddelensector (inclusief tuinbouw) maakt ongeveer een kwart van onze economie uit en draagt veel bij aan ons gezamenlijk inkomen. We beschikken over sterke sectoren zoals bloembollen, sierteelt, zuivel, pootaardappelen en de intensieve veehouderij (ondanks de problemen). Wellicht is het voor het imago van de landbouw en de helderheid voor de burger beter om binnen de overheid twee loketten te scheppen, een voor de producenten en een voor consumenten en groen (beheerslandbouw). Dan valt de marktgeoriënteerde landbouw logischerwijs als een normale tak van bedrijvigheid onder Economische Zaken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.