AMSTERDAM - Een kankergezwel dat als voorbeeld verwijderd moest worden, noemde Rijkman Groenink gisteren tijdens zijn getuigenverhoor de opheffing van de afdeling Diamant niet-ingezetenen (DNI) van het filiaal Sarphatistraat in Amsterdam. Met de opheffing van de afdeling wilde de bank een stevige streep zetten onder een bankpraktijk die jarenlang mocht voortbestaan.
Zo voelen de vier verdachten die nu terechtstaan voor de verduistering van 180 miljoen gulden het ook. Zij moeten boeten voor handelingen die jarenlang door de bank werden gedoogd. Dat zij, en slechts zij terecht staan, is hun een doorn in het oog. Chefs en directeuren die jarenlang de andere kant op keken, werden slechts berispt, overgeplaatst of mochten zelfs met een gouden handdruk vertrekken.
Wat gebeurde er op de afdeling? De vier medewerkers bedienden op het hoogtepunt van de afdeling 700 klanten met nummerrekeningen. Dat zijn rekeningen die niet op naam zijn gesteld en waarvan de identiteit van de houders zorgvuldig is afgeschermd.
Aanvankelijk waren het vooral diamantairs die van de diensten gebruikmaakten om hun betalingsverkeer te regelen. Met het verdwijnen van de diamanthandel in Amsterdam werd het pakket diensten uitgebreid tot onder meer speculatie met valutakoersen en rentes. De vier zagen soms voor 50 miljoen gulden aan transacties per dag door hun kantoor gaan. Iedereen op de afdeling wist dat de nummerrekeningen er vooral waren om gelden buiten het oog van de fiscus te houden. Maar geen van de leidinggevenden wilde na de ontdekking van de fraude in oktober 1996 toegeven dat dat de feitelijke bedoeling van de nummerrekeningen was. Ook Rijkman Groenink niet toen hij gisteren daarover door de advocaten van de verdachten urenlang aan de tand werd gevoeld. ,,De bank bood de dienst aan omdat de klant ernaar vroeg.'' Over het motief van de klant, wilde Rijkman Groenink niet speculeren. Hij kon wel tientallen redenen bedenken, waarom de klant anonimiteit wenste.
Criminologen zouden de situatie waarin de vier verkeerden in hoge mate criminogeen, misdaadopwekkend, noemen. De klanten waren zeer vermogend, stelden zeer hoge eisen aan privacy, er werd zakengedaan met vennootschappen in landen als Liberia, en controle ontbrak. De leiding van het kantoor stond toe dat medewerkers van het filiaal voor eigen rekening speculeerden, er was een fooienpot waar tips tot 1000 gulden in mochten vloeien, een dollarkas voor contante stortingen en opnames, en debetstanden werden nauwelijks gecontroleerd. De nummerrekeningen waren alleen voor mensen die buiten Nederland woonden, maar uit de getuigenverhoren is gebleken dat van stringente controles op woonplaats geen sprake was.
Die speelruimte werd in eerste instantie door een medewerker benut om door hem gemaakte fouten bij cliënt Nassour, een Libanese familie, te maskeren. Hij zuiverde tekorten op de rekening van Nassour, die hij te veel krediet had gegeven, aan door geld te halen van rekeningen van andere nummerrekeninghouders in de hoop dat Nassour zijn schulden zou inlossen. Die hoop bleek vals en S. werd zo de Nick Leeson van ABN Amro, met als enig verschil dat Leeson Barings ten val bracht en ABN Amro 'slechts' een enorme (imago)schade heeft opgelopen.
Geconfronteerd met de fraude bij de nummerrekeningen verordonneerde Rijkman Groenink begin 1997 direct dat alle nummerrekeningen moesten verdwijnen. Klanten die een rekening op naam niet op prijs stelden mochten vertrekken. Zo werd het kaf van het koren gescheiden. De maatregel was niet ingegeven door ethische motieven, zo bleek gisteren. Rijkman Groenink oordeelde simpelweg dat de risico's met deze rekeningen te groot waren ten opzichte van het profijt voor de bank. De klanten zouden te slecht traceerbaar zijn, omdat zij steeds van plek wisselden. Zo kon de bank de opdrachten en de opdrachtgevers niet verifiëren.
De drie andere medewerkers op de afdeling zouden na ontdekking van manipulaties door hun collega diens voorbeeld zijn gaan volgen, in plaats van de leiding van de malversaties op de hoogte te stellen. Het openbaar ministerie verdenkt hen ervan mee te hebben gedaan aan de verduistering ten eigen bate. Hoeveel zij kregen, is onduidelijk. Uit een verklaring van S. blijkt dat de drie anderen hem hebben gechanteerd. Hij zou hun zwijggeld hebben betaald. De drie collega's ontkennen ten stelligste dat geld te hebben ontvangen.
Opmerkelijk is dat veel gegevens van de afdeling zijn verdwenen. Schudbladen waarop de medewerkers aantekeningen maakten over de klanten, zijn nooit gevonden. De advocaten houden er dan ook ernstig rekening mee dat de bank de vier maanden tijd die ABN Amro nam tussen ontdekking en aangifte van de fraude, heeft gebruikt om de eigen schuld in de vorm van nalatigheid te verdoezelen.
Volgende week wordt de zaak tegen de vier verdachten voortgezet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.