*

 
dossier

Archief

Kok moet nóg een koningskwestie afwenden

HANS GOSLINGA − 21/04/01, 00:00

Doorgaan of niet doorgaan, dat is de vraag. In de nazomer zal Wim Kok op die vraag een antwoord geven. Ondertussen stapelen onder zijn hoofdkussen de adviezen zich op. Het valt niet aan te nemen dat hij er slapeloze nachten van heeft, maar daar kan het van komen als hij kennis neemt van het advies dat Thijs Wöltgens hem deze week vanuit de bezonkenheid van zijn senatorschap heeft gegeven. Wöltgens is na zijn vertrek uit de frontlijn van de politiek, zeven jaar geleden, niet uitgegroeid tot het orakel van Kerkrade - hij wilde niet de Wiegel van de PvdA worden - maar zijn advies heeft een hoog orakelgehalte. Dat wil zeggen dat de wijsheid zich niet aanstonds openbaart, maar in raadselen is gewikkeld. Het is dus zaak niet direct af te gaan op het heldere dictum, dat Kok via een breuk met Paars II de PvdA in de verkiezingen naar een andere coalitie moet leiden.

Op dit moment ligt het voor de hand te veronderstellen dat Kok zal besluiten door te gaan. Wöltgens constateert in het blad Socialisme & Democratie, dat de PvdA-leider door het afwenden van een koningskwestie 'aan de partijpolitiek is ontstegen en in het zenit van zijn aanzien staat'. Dat is niet overdreven. In het kamerdebat over de ontsporing van minister Borst in de euthanasiekwestie liet Kok deze week opnieuw zien dat hij in de politieke arena 'van zijne schouderen en opwaarts hoger is dan al het volk'. Het scheen hem nauwelijks moeite te kosten het kunststukje uit te halen de vice-premier te corrigeren en de oppositie geen kans te geven tweespalt te zaaien. Daarbij sprak hij in de richting van de minderheid die zich tegen de euthanasiewet verzet, de woorden van begrip en verzoening die te lang in het debat over deze kwestie hebben ontbroken.

De stijl van de premier om zo lang mogelijk op de achterhand te blijven zitten, mag over het algemeen succesvol zijn, in een kwestie die zozeer de natie beroert en verdeelt zou hij eerder in beweging moeten komen. Kok lijkt zich in dit opzicht te spiegelen aan zijn verre voorganger Willem Drees, die in heftige kwesties ook dikwijls liet begaan. Drees beschouwde zichzelf voor alles als voorzitter van de ministerraad. Duidelijk is dat die taakopvatting bijdraagt aan goede verhoudingen in het kabinet en de coalitie, maar zij wringt met het toegenomen politieke gewicht van het premierschap. Dat gewicht vraagt bijna om een zelfstandige legitimatie. Wöltgens vindt dat eigenlijk ook, want hij constateert niet zonder afgunst dat een Britse minister-president, in een positie verkerend als Kok nu, zou overwegen de verkiezingen te vervroegen. In afgeleide zin gaat Kok er zelf ook van uit, want mocht hij doorgaan dan zal hij als lijsttrekker aan de kiezers vragen hem nogmaals een legitimatie te geven een kabinet te leiden. Zou de verkiezingsuitslag hem niet een helder perspectief geven op prolongatie van zijn premierschap, dan is hij in de beste Engelse tradities weg.

Na zijn afgunstige blik richting Engeland stelt Wöltgens ontnuchterend vast dat de Nederlandse traditie met succesvolle premiers een andere is. Hij herinnert eraan hoe Drees en Den Uyl na soortgelijke hoogtepunten

(Greet Hofmans en Lockheed) betrekkelijk snel het veld moesten ruimen door een wisseling van de wacht, waarbij de PvdA buitenspel kwam te staan. Het is duidelijk dat de senator de geschiedenis aan Kok als waarschuwing voorhoudt. Maar ook vraagt hij zich, opnieuw in bedekte termen, af of Kok nog wel past bij de huidige PvdA. Hij constateert dat de partijleider zich in de strijd om het voorzitterschap van de partij tot twee keer toe heeft vergist in de leden. Zowel in 1999 als vorige maand maakte het congres duidelijk de lievelingskandidaten van het partij-establishment niet te pruimen. Afgezet tegen zijn optreden in de Oranje-kwestie concludeert Wöltgens dat Kok het Nederlandse volk beter kent dan de leden van zijn partij. In 1986, toen hij in de politiek aantrad, was dat een voordeel, omdat hij de 'bijna sektarisch geworden linkse PvdA' naar het midden moest trekken. Nu werkt het tegen hem, want de leden zijn allang geen wereldvreemde amateurs meer. De senator relativeert een beetje pesterig de recente prestatie van Kok met de opmerking dat 'een bom op een PvdA-congres Nederland stuurlozer maakt dan het terugtreden van Willem-Alexander'.

Het autocratische partijleiderschap van Kok paste, met andere woorden, bij de omslag, maar nu dat proces is voltooid verliest het zijn functie en begint het, in de woorden van Wöltgens, zelfs irritant te worden. Als íemand dat, volgens Wöltgens, goed heeft begrepen is het Ad Melkert, die zich op het congres tot tolk van de huidige PvdA maakte. De senator meent dat Melkert zich met dat optreden als de opvolger van Kok heeft gepresenteerd. Ook partijvoorzitter Koole bracht die opvatting deze week naarbuiten.

Nu dat zo duidelijk is, mag er niet te veel tijd meer verstrijken voordat Melkert het stokje overneemt. Zou hij nog een periode van vier jaar als fractieleider in de schaduw van Kok moeten blijven, dan is de kans op afbranden groot. Het risico dat de partij daarmee zou nemen, is dat er straks geen geschikte opvolger van Kok meer voorhanden is. Het opvolgingsdrama in het CDA zeven jaar geleden heeft geleerd dat het zaak is behoedzaam met kroonprinsen om te springen, want voor je het weet kom je uit bij politici van de tweede rang. Hieruit volgt dat de keuze waarvoor de premier staat, bij lange na geen vrije is. Wöltgens zegt dat Kok met dit kabinet moet breken om te laten zien dat de PvdA geen paarse partij is. Dat is zijn laatste addertje onder het gras: het profiel van Kok mag flets zijn, het is na zeven jaar regeren met de liberalen wel flets paars.

mailIcon print |