De zwarte beer moet slapper zijn dan een vaatdoek als hij na vijf maanden winterslaap de poten weer gaat strekken. Al die tijd eet en drinkt hij niet, piest en poept niet, en is binnenslijfs vier graden kouder dan in actieve dagen. Zo lang te bed, zou onze spierkracht met 90 procent afnemen, maar de zwarte beer blijkt tijdens die dut van maanden nog geen kwart van zijn spiermassa kwijt te raken.
Hoe houdt die beer zijn spiercellen zowel in aantal als in grootte op peil? Amerikaanse biologen maten met gevanceerde apparatuur de kracht in de scheenbeenspier van de beer vlak na het begin en aan het eind van de winterslaap, in zijn eigen winterverblijf. Met hetzelfde apparaat is bij mensen aangetoond dat ze in 130 inactieve dagen zo'n 90 procent van hun spierkracht verliezen. De beer verloor maar 23 procent.
Het is alsof zijn spieren in de slaap toch 'dooreten', en de eiwitsamenstelling van stukjes spiervezel bevestigde dat. Vermoedelijk gebruikt hij ureum, het eindproduct van de stikstofstofwisseling, om nieuwe eiwitten aan te maken. Daarnaast zit hij tijdens de slaap mogelijk te wiebelen met de poten en trekt de spieren wat aan zonder in beweging te komen (isometrisch). Na maanden niksen is hij er dan direct weer klaar voor. Misschien, schrijven de biologen in Nature (22/2), kunnen we van de beer wat leren voor de behandeling van spierziekten en het voorkomen van spierslapte door lang liggen of verre reizen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.