*

 
dossier

Archief

Stoep

H. Brandt Corstius − 11/06/01, 00:00

Aan het eind van de achttiende eeuw verschenen in Parijs twee nieuwigheden: de stoep en het restaurant. Modieuse malligheden, mopperden koetsiers en koks, maar ze hadden ongelijk. Het restaurant heet zo naar de versterkende soep die men daar te eten kreeg, aan afzonderlijke tafeltjes, zonder aansluitend bed, met een menu waar je uit koos. Tot die tijd waren de publieke eetgelegenheden verbonden aan herbergen, at je wat de waard koos, en schoof je aan bij een grote tafel. De Franse benaming is net als hotel en boulevard internationaal geworden, behalve in Finland waar ze ravintola zeggen.

Het trottoir dat in 1781 de wandelaars naar een nieuwe schouwburg beveiligde tegen spattende koetswielen was niet het eerste van Europa. In Delft en Londen zag ik oudere stoepen. Ik ben vanochtend naar de Odeon-straat gelopen en daar liggen aan één kant waarachtig nog de grote, langwerpige, oerzware stoepstenen met de brede granieten randstenen. Aan de andere kant is het trottoir gemaakt van een inferieur soort asfalt, teer in alle tinten tussen lichtgrijs en donkerzwart met, tussen de lichte rondjes van het uitgespuwde en platgetrapte kauwgummi, dozijnen oude en nieuwe naden waar verse stukken teer zijn aangebracht, zodat de stoep er uitziet als een honderden malen verstelde jas, waarvan tenslotte geen enkele molecuul van de oorspronkelijke stof meer aanwezig is, maar die blijft passen binnen de zoom van de trottoirband en die van de huizenrand.

Door het trottoir konden niet drie koetsen, maar slechts twee naar elkaar rijden. Datzelfde trottoir redde het leven van honderdduizenden wandelaars die anders, net als Pierre Curie en Co van Calcar, vermorzeld waren door het Parijse snelverkeer.

In de loop van twee eeuwen heeft men allerlei stenen, kasseien, tegels en zelfs houten balken en planken uitgeprobeerd, maar het asfalt lijkt aan de winnende hand. De strijd tussen teer en steen gaat niet per hele straat, maar is op elke vierkante decimeter van de voetstraat te observeren. Vaak is de stoep dichtbij de huizen nog van stenen, en rukt het asfalt als het ware van de macadam-straat uit op. Maar nog vaker zijn in de asfaltmeren eilandjes van stenen te zien, zoals daar natuurlijk gietijzeren putjes liggen en de prachtige cirkelvormige ijzeren rokken onder boomstammen waardoorheen men kan zien hoe de Parijse bodem er eigenlijk uitziet, en die een vredig eind bieden aan miljoenen stuivertjes, sleuteltjes, snoeppapiertjes, metrokaartjes en waar de stadswandelaar zich verder van ontdoet. De boom is er niet door beledigd.

Ik stond gebukt over een archeologische puzzel in het oppervlak van de stoep in de Odessastraat, toen een wandelstok mij licht in de rug prikte. Ik had net een ballpoint gekrikt in de naad tussen twee typen teer om uit te maken welke soort het laatst was aangebracht. Ik rechtte mijn rug en zag een mijnheer die mij een loupe aanreikte waarmee ik de naad tussen twee soorten teer nader kon bestuderen. ,,U weet toch dat de trottoiriste nooit zal proberen het oppervlak van de stoep te doorboren? Of bent u geen lid van ons genootschap?''

Ik vroeg hem naar de technieken van het stoepteerstorten. Hij sprak even met zijn telefoontje en wist mij toen te vertellen dat er op dit moment twee adressen in de buurt waren waar het herteren van een nieuwe stoep te bewonderen viel. Ik haastte me naar de Huyghensstraat en zag daar een trio Portugezen bezig de inhoud van een kruiwagen teer over een oude laag van teer, stenen, steentjes en zand te kieperen. Terwijl tegels een zorgvuldige voorbereiding van de ondergrond vergen, zo wist de oudste van het drietal die een touwtje vasthield waarmee de dikte van de teerlaag werd gecontroleerd, mij te vertellen, zorgde bij het teren de zwaartekracht voor een vlakke stoep. In een hellend straatje zoals ze hier onderhanden hadden, beteerden ze ook steeds maar een paar meter tegelijk.

Ik moest denken aan de werkers aan de constructies bij de voet van de grote bibliotheek die met een borende heimachine diepe gaten groeven voor daarin te storten betonfundamenten. Een helper aan de gatrand mat met centimeter en waterpas of de boorheier recht de grond in ging en gaf een handsein aan de machinist die daarop zijn driller aanzette, waarbij de boorkop duidelijk een stoot van tien centimeter in een verkeerde richting kreeg.

,,Onze werkmacht heeft nog nooit een dag stilgezeten'', zei de stoepteerder trots en ik durfde niet te beginnen over de schamele Hollandse stoeptegels en hun armzalige dunne stoeprandjes. Kijk in Parijs omlaag en u ziet beter dan op welke rotstekening ook, twee eeuwen van mensenwerk, kauwgom, paalsporen, brokken van advertentieletters, pijltjes, lichaamsomtrekken, correcties, gecorrigeerde correcties, en geen hondenstront, want Parijse honden poepen niet.

mailIcon print |