Dat de kinderen van prinses Irene en Carel Hugo van Bourbon van Parma bij de Nederlandse adel zijn ingelijfd, betekent nog niet dat andere Nederlanders van buitenlandse adellijke afkomst daar ook recht op hebben.
Dat bleek gisteren uit een uitspraak van de Raad van State in een zaak die was aangespannen door twee mannen die van oorsprong afkomstig zijn uit de Duitse en Boheemse adel.
De twee gingen uit van de kinderen van Irene en het gelijkheidsbeginsel. Alleen bij wettelijke erkenning van hun adeldom in het land van herkomst zou een kans bestaan, aldus de uitspraak. Dat is ook altijd de mening geweest van de Hoge Raad van Adel.
Eerder heeft oude buitenlandse adel een poging ondernomen ingelijfd te worden bij de Nederlandse adel. Vooral R. baron von Quast-Juchter uit Den Haag, nu een van de appellanten bij de Raad van State, heeft een jarenlange strijd achter de rug om Nederlandse erkenning te krijgen voor zijn adellijke familietitel sinds 1789. Volgens het ministerie van binnenlandse zaken heeft de Weimar-republiek in 1919, als opvolger van het oude Duitse Rijk, echter alle adellijke titels afgeschaft.
In de uitspraak volgt de Raad van State deze redenering, terwijl ook de rechtbank in Den Haag eerder het verzoek tot adeldom heeft afgewezen. Volgens beide rechtscolleges moet het verzoek ook nog eens afkomstig zijn uit vergelijkbare staten als Nederland en ingediend zijn binnen vijf jaar na totstandkoming van de Wet op de Adeldom. Aan beide voorwaarden is in de huidige zaak niet voldaan, reden voor de Raad van State om met een definitieve uitspraak een punt te zetten achter deze kwestie.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.