*

 
dossier

Archief

Van de oorlog niets geleerd en niets vergeten

J. A. A. van Doorn − 20/04/01, 00:00

Het is een overbekende uitspraak: als het oorlog wordt, is de waarheid het eerste slachtoffer. Het is erger: als de vrede komt, blijkt de waarheid zo zwaar mishandeld dat ze zich nauwelijks kan herstellen. De waarheid is ook het laatste oorlogsslachtoffer.

Vandaar het versimpeld beeld van de Tweede Wereldoorlog dat maar niet wil wijken. Het is grotendeels een nationale mythe: een verhaal van heldenmoed, vaderlandse plicht en vuig verraad, kortom van goed en fout in wit en zwart. Gewone mensen, onzeker en verward hun weg zoekend, komen in het verhaal niet voor.

De onverwoestbaarheid van dit oorlogsbeeld is vooral op twee manieren te verklaren: bij een minderheid uit traumatische belevenissen, bij de meesten uit perspectivische vertekening. Van de leden van het verzet die offers brachten en van de Joden die slachtoffers waren, kon en mocht geen evenwichtig oordeel worden gevraagd. Maar omdat juist zij begrijpelijkerwijs behoefte voelden hun ervaringen op schrift te stellen, ging hun specifieke oorlogsbeeld de collectieve herinnering bepalen.

Perspectivische vertekening deed de rest. In de eerste helft van de bezettingstijd had de overweldigende meerderheid van de bevolking betrekkelijk weinig te lijden. De tweede helft ontaardde in massale vervolging en terreur, en wat de Joden betreft, in collectieve vernietiging. Die rampzalige tijd maakte zo'n verpletterende indruk dat, terugkijkend, de herinneringen aan de vroege periode achter Holocaust, hongerwinter en verwoestende steden verdwenen.

Weliswaar ondernamen jonge historici sinds de jaren tachtig pogingen het clichébeeld te vervangen door een meer genuanceerde geschiedschrijving, maar hun bescheiden revisionisme drong niet tot het grote publiek door. Het simpele oorlogsbeeld in termen van goed en fout bleef onaangetast.

Het onlangs verschenen boek 'Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog' van de historicus Chris van der Heijden kan gelden als de eerste poging om de oorlog in zijn geheel op een nieuwe manier te benaderen. Hij laat een ander deel van de werkelijkheid zien. Niet de minderheid van helden, boeven en slachtoffers staat bij hem in het middelpunt maar de meerderheid van gewone Nederlanders die niet veel anders deden dan proberen te overleven.

Bijgevolg is Van der Heijdens oorlogsgeschiedenis 'grijs' gekleurd. Het is een verhaal van inschikken en aanpassen, van klungeligheid en kleinmenselijkheid. De grenslijn tussen normaliteit en verzet of collaboratie blijkt minder scherp dan doorgaans wordt gesteld.

Veel keuzes, ten goede en ten kwade, waren meer het resultaat van toevallige omstandigheden dan van doordachte beslissingen. Zeker in de eerste jaren keken de Nederlanders de kat uit de boom. 'Ik dobber en blijf drijven' is de treffende titel van een hoofdstuk.

Van der Heijden is van mening dat hij eigenlijk niets nieuws zegt. Hij baseert zich geheel op voor iedereen toegankelijke bronnen en publicaties. En inderdaad, wie eerder kennis heeft genomen van het dagboek van de politicus Jaap Burger, de studies van dr. C. Hilbrink of de memoires van de historicus E.H. Kossmann -om enkele boeken vol ontnuchterende observaties te noemen- zal bij lezing van 'Grijs verleden' alleen maar instemmend knikken. Voor mij viel de oorlog tussen mijn vijftiende en twintigste jaar, en ik moet toegeven dat Van der Heijdens boek mij niet eens de 'schok der herkenning' gaf maar een feitelijke bevestiging van eigen ervaringen. Inderdaad zó was het, zó ging het.

Gek genoeg heeft het boek voor veel opwinding gezorgd. Ik las een tiental uitvoerige recensies, maar slechts een kleine minderheid is onomwonden positief. Sommige recensenten tonen zich zelfs buitengewoon venijnig door een verband te construeren tussen Van der Heijdens historisch oordeel en het 'foute' verleden van zijn vader. Het ontbreekt kennelijk aan argumenten.

Een dieptepunt vormde het tv-programma 'Buitenhof' op eerste paasdag. Twee van de drie gesprekspartners van de auteur, Elsbeth Etty en Ed van Thijn, bleken voor de strekking van het boek geen enkel begrip te kunnen opbrengen.

Van Thijn poseerde weer eens als de Hoge Vertegenwoordiger van de Oorlog als Moreel IJkpunt. Hij ging zover te waarschuwen tegen ook andere recente publicaties over de oorlog die niet volgens het goed-fout-schema zijn ontworpen. Was Van Thijn nog tot een gedachtewisseling met de auteur bereid, Etty had zelfs daaraan geen behoefte. Het boek deugde van geen kant. Ze had niet eens begrepen wat bedoeld was met de prachtige aanhef van 'Grijs verleden': ,,Eerst was er de oorlog, daarna het verhaal van die oorlog. De oorlog was erg, maar het verhaal maakte de oorlog nog erger.''

Etty leek serieus te denken dat Van der Heijden een oorlog minder erg vindt dan een oorlogsgeschiedenis.

Soms verdenk ik deze en dergelijke critici wel eens van kwaadaardigheid, maar ik vrees dat er eerder van domheid moet worden gesproken. Zij weten en begrijpen niet dat menselijk handelen de uitkomst is van vele onderling tegenstrijdige impulsen; dat angst en moed, inzicht en blindheid, ja zelfs goed en kwaad vaak dicht bij elkaar liggen; dat er heel weinig mensen zijn die 'uit een stuk' bestaan, tenzij als personages in een jongensboek. Ze kennen de mens niet omdat ze zichzelf niet kennen.

mailIcon print |