,,The carpet! Der Teppich! Het tapijt!'' Het waarschuwend en afkeurend gemompel was niet van de lucht, toen Konrad Adenauer - een dag daarvoor tot eerste kanselier van de Bondsrepubliek Duitsland gekozen - op 21 september 1949 zijn opwachting maakte in Haus Petersberg in Königswinter bij Bonn, de plek waar afgelopen dinsdag de conferentie over de toekomst van Afghanistan begon. ,,Wat was er toch met dat tapijt?'', vroeg zich nog onlangs een internetbezoekster af.
Na de capitulatie van Duitsland in mei 1945 werd het land door de geallieerden bezet. Na verloop van tijd ontstonden er vier zones, waarin - ondanks de aanwezigheid van een 'overkoepelende' Allied Control Council - de militaire opperbevelhebbers van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Sovjet-Unie in feite de dienst uitmaakten. Na diverse onderlinge strubbelingen, ruzies en meningsverschillen kwam, vooral op aandringen van de Verenigde Staten, Duits zelfbestuur in de drie westelijke zones tot stand.
De stichting van de Bondsrepubliek, in mei 1949, betekende echter niet dat de jonge Duitse staat absoluut soeverein werd (dat zou pas in 1955 gebeuren). Na de breuk met de Sovjet-Unie bleven de drie westerse geallieerde mogendheden in dit deel van Duitsland feitelijk het hoogste gezag uitoefenen. Dat kwam onder meer tot uiting in het Besatzungsstatut van september 1949, waarin de bevoegdheden van de centrale en federale Duitse overheden waren vastgelegd, maar die daarnaast vooral het gezag van de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk ten aanzien van de controle op de buitenlandse handel, de demilitarisering, de denazificatie en de naleving van de democratische spelregels onderstreepte. De historicus Friso Wielenga bracht het treffend onder woorden: ,,De Bondsrepubliek stond ten tijde van haar oprichting onder een vrijwel totale curatele.''
Eén niet onbelangrijke verandering bij de geallieerden mag voorts niet onvermeld blijven. Twee van de drie militaire gouverneurs hadden plaatsgemaakt voor Hoge Commissarissen, afkomstig uit respectievelijk het bankwezen en de diplomatie: John J. McCloy (USA) en André François-Poncet (F) waren Lucius D. Clay en Pierre Koenig opgevolgd; alleen de Britse generaal Brian Robertson was gehandhaafd. De drie wilden de net aangetreden bondskanselier Adenauer het document met het nodige ceremonieel vertoon aanbieden, maar de inmiddels 73-jarige Alte had weinig trek in zo'n demonstratie van geallieerde suprematie en bedankte als vertegenwoordiger van de 'overwonnenen' voor die eer.
Het is tekenend voor Adenauers groeiende positie én invloed dat de drie Hoge Commissarissen zijn opvatting respecteerden en in plaats van een officiële plechtigheid op de Petersberg, waar McCloy c.s. al die tijd resideerde, op die plek een korte toespraak arrangeerden, het in werking treden van het statuut afkondigden en Adenauer het officiële document pas bij het verlaten van de zaal verpakt in een envelop toestopten.
Daarbij deed zich het 'tapijt-incident' voor, waarvan aan het begin van dit stuk al even sprake was. Adenauer was met een bescheiden kabinetsdelegatie naar de Petersberg gekomen. Volgens het protocol moest de Duitse afvaardiging zich vóór een groot tapijt in een van de zalen van Haus Petersberg opstellen, terwijl uitsluitend de Hoge Commissarissen daaróp mochten plaatsnemen. Adenauer stopte inderdaad aan de rand van het tapijt, maar (zo schrijft hij in zijn memoires): ,,François-Poncet (die als gastheer optrad) deed een stap naar voren om mij te begroeten. Ik maakte van de gelegenheid gebruik en liep hem tegemoet, zodat ik ook op het tapijt kwam te staan. Niemand van de Hoge Commissarissen reageerde en François-Poncet kon zijn verklaring afleggen.''
Dat daarmee Adenauers reputatie bij de westerse geallieerden definitief gevestigd was, bleek twee maanden later. Op 24 november 1949 ondertekenden de betrokken partijen op dezelfde plaats het Petersberger Abkommen, waarin sommige bepalingen uit het Besatzungsstatut alweer waren versoepeld: de demontage door de geallieerden van de (West-Duitse) industrie werd opgeschort en de Bondsrepubliek kreeg toestemming om eerste diplomatieke contacten met het buitenland te leggen.
In ruil daarvoor trad de Bondsrepubliek toe tot de in eigen land niet geheel onomstreden Ruhrbehörde (waarin over een verdeling van grondstoffen uit het Ruhrgebied werd beslist) en daarom én omdat Adenauer (CDU) de onderhandelingen zonder ruggespraak met de Bondsdag had gevoerd kwam het in het plenaire debat, een paar dagen later, tot een confrontatie met de oppositionele SPD.
Haar leider Kurt Schumacher verweet Adenauer veel te inschikkelijk te zijn geweest tegenover de geallieerden en om 03.00 uur 's nachts liet hij zich verleiden Adenauer als 'Kanzler der Alliierten' aan te duiden. Een ooggetuige beschrijft het vervolg van het 'debat': ,,De Bondsdag ging tekeer... De voorzitter (Köhler van de CDU) probeerde tevergeefs het tumult te overstemmen. De afgevaardigden verlieten roepend en gesticulerend hun plaatsen. Onophoudelijk luidde de voorzitter de bel. Uiteindelijk kreeg Schumacher een vermaning. Daarna nam het lawaai in de zittingszaal alleen nog maar toe, toen Schumachers fractiegenoot Erich Ollenhauer riep, dat Schumacher juist door Adenauer was uitgedaagd en dat daarom de bondskanselier een waarschuwing diende te krijgen. (..) Daarop verliet Adenauer het spreekgestoelte.''
Toen de volgende ochtend bleek dat Schumacher zijn woorden niet wilde terugnemen, werd hij gedurende twintig dagen van deelname aan Bondsdagzittingen uitgesloten. Drie dagen later bood Schumacher schriftelijk zijn excuses aan de bondskanselier aan, maar door haar weinig realistische opstelling tegenover de werkelijke machtsverhoudingen in het land had de SPD zich als regeringspartij of coalitiepartner voorlopig zelf op dood spoor gerangeerd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.