De Nederlandse overheid moet het ideaal van de 'moeder-met-de-theepot-wacht-schoolkind-op' maar weer eens ter discussie stellen. In Europese landen die meer zijn ingesteld op werkende vrouwen, tonen de kinderen veelal meer discipline dan onze vertroetelde apengatjes.
Hieke Snijders-Borst stelt dat de samenleving als geheel gebaat is bij moeders die in de gelegenheid gesteld worden hun kinderen -zo goed mogelijk- groot te brengen (Brieven, 12 januari). In de gelegenheid gesteld worden betekent in de praktijk: van overheidswege gefinancierd. Ook met de door haar uit het archief gehaalde ooievaarsregeling -die het nooit gehaald heeft- was dat het geval.
Nu kent Nederland het principe van een kostwinnersinkomen, waarmee het gezinshoofd (de vader) een huisvrouw en twee kinderen kon onderhouden. Niet alleen een verworvenheid van confessionele zijde, maar ook vanuit de arbeidersbeweging van ganser harte gepropageerd en nagestreefd. Dit principe vindt nog steeds zijn vertaling in onze sociale wet- en regelgeving, in de regeling van schooltijden en in allerlei op het oog irrelevante details als de plaatsing van gasmeters en dergelijke. Moeder was immers thuis.
Het is nu het jaar van de vrijwilligers: daar vind je veel moeders, op scholen, in de verzorging en op tal van andere plaatsen waar betaalde functies in de loop der tijd zijn wegbezuinigd. Door het kostwinnersstelsel -dat een boete legde op betaalde arbeidsmarktparticipatie van de gehuwde of samenwonende vrouw- is dit systeem het overheersende geworden in onze samenleving. Europese richtlijnen mogen dan een beleid ingezet hebben dat economische zelfstandigheid van elk volwassen individu -dus ook vrouwen, zelfs moeders- tot verplicht doel stelt voor alle landen binnen de Unie, Nederland blijft zichzelf trots als uitzondering beschouwen in dit universele credo. Uit zelfrechtvaardiging wordt dit gezien als: mijn gezin komt eerst.
Het is vreemd dat ook mannen dit desgevraagd zeggen, die toch heel andere keuzes maken. Ook voor hen komt het gezin eerst, maar zij vullen dat in door te zorgen dat het het gezin aan niets ontbreekt. Ook erg traditioneel, en voortdurend worden zij gemaand toch vooral korter te werken, meer onbetaalde zorg op zich te nemen, en hun carrière tot punt 2 te maken in hun levensplanning. Tegelijkertijd rekenen vrouwen er wel op dat er een redelijk inkomen beschikbaar blijft om dat gezin economisch drijvende te houden. Niet eerlijk om te verwachten dat mannen wel maximaal inkomen blijven verwerven (met carrièreperspectief op langere termijn), en tegelijkertijd de zorg zullen delen, zonder daar in evenredige zin betaalde arbeidsmarktparticipatie tegenover te stellen. Pas als dit inkomensaandeel structureel is, mag men een structureel aandeel in de zorg verwachten: samen uit, samen thuis.
Is er geen partner, maar speelt de overheid direct de partnerrol (Bijstand), dan kan een zelfde uitgangspunt gelden: voor wat hoort wat. De eis om -betaald door de gemeenschap- thuis te mogen blijven om gemiddeld 1,7 kind op te voeden, is een dure, die goed onderbouwd moet worden wil de overheid deze honoreren. Zij investeert immers al in kinderopvang en scholen, die de kinderen een uitstekend onderkomen bieden als de volwassen vrouw haar opleiding en talenten in dienst stelt van de samenleving als geheel. Niet voor niets is door diezelfde overheid immers geïnvesteerd in haar opleiding (voor de huidige generatie moeders/jonge vrouwen is dat opleidingsniveau gelijk aan dat van mannen). Er zitten nogal wat verpleegkundigen en docenten op allerlei niveaus met het moeder-image thuis.
De door Snijders-Borst geschilderde tonnen die het de maatschappij kost als een kind niet door de moeder thuis is opgevoed, zouden eens onderzocht moeten worden. Steeds wordt gesteld dat kinderen van gescheiden ouders en van alleenstaande moeders het zoveel slechter doen dan kinderen uit 'gewone' gezinnen. Heeft dat te maken met de scheiding, met het éénoudergezin, of gewoon met armoede -die in veel gevallen parallel loopt met éénoudergezinnen, juist vanwege die nonparticipatie op de arbeidsmarkt- en wellicht met heftiger karakterstructuren die logischerwijze eerder tot scheiding aanleiding geven? Zijn kinderen van alleenstaande werkende ouders er slechter aan toe dan die van niet-werkenden?
Want in alle ons omringende landen (behalve wellicht Duitsland) werken beide ouders al generaties lang, al dan niet uit financiële noodzaak, worden kinderen al jong hele dagen opgevangen en wordt er op school een verantwoorde warme maaltijd verstrekt tussen de middag. Zijn de jongeren daar dan zo verdorven, zonder moeder-met-de-theepot? Nee, over het algemeen zijn ze veel gedisciplineerder dan onze vertroetelde apengatjes.
Ph.A. Debbink zegt het (Brieven, 13 januari) heel duidelijk: op een school wordt een kind onderwezen, thuis wordt het opgevoed. De pretentie dat opvoeding uitsluitend thuis verricht wordt, is een achterhaalde. Vroeger was de gemeenschap thuis opvoedend (in het grotere, ruime familie- en gezinsverband) nu is dat de school, met de gemeenschapszin, de taakstelling en de professionele leiding. Ook voor de kinderopvang, als die tenminste door ons allen zo gesteund, vereist en ingevuld wordt. Dat lukt niet met achterhoedegevechten waar niemand -ook moeders en kinderen niet- beter van wordt.
Dan blijft kinderopvang een sluitpost. Dan blijven scholen hun onmogelijke roosters houden. Dan leren kinderen al jong dat moeders thuis horen, dat de Bijstand een prima alternatief is voor economische zelfstandigheid en een vanzelfsprekend recht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.